Een vogel voor de kat deel zestien ‘finale’

Een vogel voor de kat

Heb je deel vijftien al gelezen of wil je beginnen bij het begin?

‘Dat zijn ze volgens mij!’ Marie wees naar een zilvergrijs busje dat de straat in reed. De lach op haar gebruinde gezicht sprak boekdelen.
Onno kwam overeind uit zijn stoel.
Het busje stopte voor het appartementencomplex. De deur schoof open. Joris stapte als eerste uit, zoals gewoonlijk met zijn telefoon tegen zijn oor.
Grinnikend schudde Onno zijn hoofd. Sommige dingen veranderden nooit.
Joris hielp eerst Jennifer en toen Louise met uitstappen. Louise hielp Anna, die met één hand haar buik ondersteunde.
Nog drie maanden, dan zou hun tweede kleinkind geboren worden. Hij had de vliegtickets naar Nederland al klaarliggen.
‘Kijk eens hoe dik haar buik is!’ jubelde Marie. ‘Ik ga naar beneden.’ Ze drukte een innige kus op zijn lippen en verliet met een speels huppeltje het balkon.
Onno zag hoe Louise haar armen spreidde voor het blonde meisje dat al half uit het busje hing. Vol vertrouwen maakte ze een sprong en belandde met een grote zwaai op het trottoir. Ellen was de laatste die uit het busje stapte.
Ieder jaar weer kwamen de kinderen rond deze tijd naar Spanje om de verjaardag van hun kleindochter te vieren. Marion werd vier dit jaar. Jeffrey zou zo trots zijn geweest. Hij ademde diep in en liet de lucht langzaam tussen zijn lippen ontsnappen.
Het was een vogel geweest. Een vogel had de dood van zijn zoon veroorzaakt. Het dier was met zo’n harde klap tegen de vooruit gevlogen, dat Jeffrey van schrik de macht over het stuur was verloren. Het was een noodlottig ongeval geweest, dat iedereen had kunnen overkomen. Er was geen schuldige. Het had echter maanden geduurd voor hij zijn verrekijker weer tegen zijn ogen had kunnen zetten zonder dat zijn blik vertroebelde. Een hele tijd had hij zelfs gedacht dat hij nooit meer zou kunnen genieten van de aanblik van een vogel.
Hij keek naar de zee en naar de krijsende meeuwen, zwevend boven de bruisende golven.
‘Opa!’ klonk het van beneden.
Zijn kleindochter stond uitbundig te zwaaien en zond hem kushandjes toe.  Lachend stuurde hij haar kushandjes terug.

Een vogel voor de kat deel vijftien

Een vogel voor de kat

Heb je deel veertien al gelezen of wil je bij het begin beginnen?

De dagen verstreken. Het waren lange, verdrietige dagen waarin hij weinig sprak, maar veel nadacht. Hij was vergeten hoeveel dierbare momenten hij eigenlijk samen met zijn jongste zoon had gehad. Nu Jeffrey overleden was, kwamen alle herinneringen aan die fijne momenten weer naar boven. De ellende van de afgelopen jaren leek naar de achtergrond te zijn verdwenen. Het maakte het verlies des te zwaarder. Hij was zijn zoon kwijt, niets kon dat veranderen.
Marie was compleet ontredderd. In haar ogen was alles wat er mis gegaan was in het leven van hun zoon haar schuld, inclusief het ongeluk. Dat was natuurlijk onzin, maar ze had het boetekleed aangetrokken en bleef zich maar verontschuldigen. Hij kon niet meer dan haar gerust stellen en troosten. Ze had inderdaad een fout gemaakt, een pijnlijke onvergetelijke fout, maar verder wilde hij het hele onderwerp liever laten rusten. Hij kon alleen maar hopen dat Marie zichzelf ooit zou kunnen vergeven. De situatie was immers al triest genoeg.
Twee dagen geleden hadden ze Jeffrey begraven. Het was een simpele, maar mooie dienst geweest. Hij had zich verbaasd over de hoeveelheid mensen die bij de dienst aanwezig waren. Vreemden van wie ze het bestaan niet eens hadden geweten, hadden hun medeleven getoond. Vandaag zouden ze zijn vriendin voor het eerst ontmoeten. Haar naam was Helen. Had hij hen maar over haar verteld en haar mee naar huis genomen. Hij begreep niet waarom hij dat niet had gedaan. Het viel hem zwaar haar nu op deze manier te moeten leren kennen.
Gespannen staarde hij naar de dichte deur. De verpleegster kon ieder moment naar buiten komen. Louise en Marie zaten stilzwijgend naast hem, beiden in gedachten verzonken, net als hij.
Toen de deur open ging, veerden ze alle drie omhoog.
‘Gaat u maar naar binnen,’ zei de verpleegster vriendelijk.
Onno zuchtte diep. Hij liep achter Marie en Louise aan naar binnen en observeerde de jonge vrouw, die rechtop in het ziekenhuisbed zat. Haar rechteroor en een deel van haar voorhoofd waren bedekt met verband en pleisters, haar kin zat vol donkere korsten en haar linkerarm zat in een mitella. Ondanks de verwondingen op haar gezicht, zag ze er met haar lange donkere krullen en grote bruine ogen, liefelijk uit. Het paste totaal niet bij het beeld dat hij zich op basis van haar stem gevormd had, die morgen dat hij Jeffrey had bezocht. Zijn ogen werden naar de plek getrokken waar het witte laken de bolling van haar buik verraadde.
Louise verbrak de ongemakkelijke stilte. ‘Ik ben Louise, de zus van Jeffrey.’
Marie deed een stap dichterbij. ‘Ik ben zijn moeder, Marie.’
Zacht herhaalde de vrouw haar naam.
Hij schraapte zijn keel. ‘Ik ben Onno, zijn vader.’
Ze knipperde haar tranen weg.‘Het spijt me zo dat we elkaar onder deze omstandigheden leren kennen. Ik ben Ellen.’
Marie onderdrukte een snik, grabbelde zenuwachtig in haar handtas en haalde er een zakdoek uit die ze tegen haar ogen drukte.
‘Waren jullie al lang samen?’ vroeg Onno.
‘We leerden elkaar ruim anderhalf jaar geleden kennen op een bijeenkomst voor verslaafden.’
Onno keek haar verbaasd aan. ‘We wisten niet dat hij…’
‘Hij wilde het niet vertellen,’ onderbrak ze hem. ‘Hij was bang om te falen, bang dat het verwachtingen zou scheppen die hij niet kon waarmaken. Hij wilde jullie niet teleurstellen. Hij wilde het pas vertellen als hij zijn verslaving onder controle had, en geloof me, hij heeft het echt geprobeerd. Er waren dagen, soms zelfs weken dat hij niet gebruikte, maar hij hield het nooit vol.’
‘En jij?’ vroeg Louise.
‘Mij is het wel gelukt. Ik ben volgende week veertien maanden clean.’
Louise raakte haar arm aan. ‘Wat goed van je.’
‘Het blijft natuurlijk altijd een strijd. Het verlies van Jeff…’ Ze zweeg en legde haar hand op haar buik.
‘Heb je veel steun van je familie en vrienden?’
‘Ik heb door mijn drugsverleden niet zoveel echte vrienden overgehouden en met mijn familie heb ik lang geleden al gebroken. Jeff was mijn familie. Ik hoopte samen met hem een hecht gezin te gaan vormen, maar ik was bang voor zijn verslaving en wat het met hem deed, wat het met ons deed. Een maand geleden heb ik hem gevraagd, nee gesmeekt, om zich te laten helpen in een kliniek, maar dat weigerde hij. Hij zei dat hij gek zou worden als hij zo lang van ons gescheiden moest zijn.’ Ze veegde met een snelle beweging haar tranen weg. ‘Ik werd zo boos. Hij durfde gewoon niet. Hij gebruikte ons als reden om het gevecht met zijn verslaving niet aan te hoeven gaan. Ik vond hem een lafaard!’ Ze sloeg haar blik neer. Haar onderlip begon te trillen. ‘Toen heb ik iets vreselijks gedaan,’ zei ze en ze verborg haar gezicht in haar handen.
Instinctief streek Marie troostend over haar schouder.
Na een paar minuten keek Ellen naar haar op.
‘Wat heb je gedaan?’ vroeg Marie zacht.
‘Ik heb gezegd dat het zijn kind niet was,’ snikte ze, ‘en toen ben ik weggegaan.’
Onno liet zijn hoofd en schouders hangen. Hij wist als geen ander hoe zijn zoon zich gevoeld moest hebben bij het horen van deze woorden.
‘De volgende dag ging Jeff gruwelijk de fout in.’
Hij hief zijn hoofd op.
Helen ving zijn blik.
‘Het steekincident?’
Ze knikte.
Marie greep Onno vast.
‘Het spijt me zo,’ fluisterde Helen.
Onno schudde zijn hoofd. ‘Je kon niet weten dat dat zou gebeuren.’
‘Ik wist wat het met hem zou doen. Ik heb hem bewust pijn gedaan. Ik ontnam hem datgene wat het allerbelangrijkste voor hem was, onze liefde en ons kind. Dat had ik nooit mogen doen. Ik wilde het allemaal rechtzetten, maar toen was het al te laat. Ik voelde me zo schuldig. Ik durfde hem niet te vertellen dat ik had gelogen.’
‘Maar jullie zaten wel samen in die auto,’ zei Louise.
Ellen knikte. ‘Ik hoorde via een kennis dat hij weer contact had met iemand uit zijn verleden, een vrouw. Dat deed zoveel pijn. Ik wilde alles vergeten, niets meer voelen. Ik verlangde naar mijn drugs. Toen heb ik hem gebeld. Ik had hem zo hard nodig. Hij kwam meteen naar me toe. Ik heb al mijn moed verzameld en hem alles verteld. Ik dacht dat hij woest zou zijn en het me nooit zou vergeven, maar hij sloeg alleen maar zijn armen om me heen. Hij zei dat dit het gelukkigste moment van zijn leven was en dat hij er álles aan zou doen om van zijn verslaving af te komen. Ik zag in zijn ogen een vastberadenheid die ik nog niet eerder had gezien. Ik wist dat het allemaal goed zou komen en wilde meteen met hem mee naar huis.’
Onno slikte de brok in zijn keel weg en drukte Marie en Louise tegen zich aan.
‘Toen ik bijkwam in het ziekenhuis, kon ik me niets van het ongeluk zelf herinneren. Ik wist alleen nog dat we naar huis reden en dat ik me de gelukkigste vrouw ter wereld voelde. De doctoren konden me ook geen garantie geven of het ooit terug zou komen. De politie heeft me ondervraagd, maar ik kon hen geen informatie geven. Ze vertelden me dat ik geen gordel om had en daardoor uit de auto ben geslingerd. Dat begrijp ik nog steeds niet. Ik doe áltijd mijn gordel om.’ Ze wreef zachtjes over haar buik terwijl de tranen over haar wangen liepen. ‘Ik kan het nog steeds niet geloven dat hij dood is, dat ik hem nooit meer zal zien.Ik voel me zo alleen en incompleet zonder hem.’
Marie ging naast haar zitten en sloeg haar arm om haar heen.
Ellen huilde met lange hartverscheurende uithalen.

Wordt vervolgd (deel zestien finale)

Een vogel voor de kat deel veertien

Een vogel voor de kat

Heb je deel dertien al gelezen of wil je bij het begin beginnen?

 Ze liepen in snel tempo door het hoge gras, schouder aan schouder, verscholen onder de paraplu.
‘Wat zei Paula nu precies?’
‘Dat er twee politieagenten voor de deur stonden die naar de ouders van Jeffrey Verbeek vroegen.’
‘Wat heeft die jongen nu weer op zijn kerfstok,’ mopperde Onno.
Fred hield abrupt stil.
‘Wat is er?’ vroeg Onno.
‘Ik denk dat je je moet voorbereiden op slecht nieuws.’
‘Wat bedoel je?’
Zwijgend keek Fred hem aan.
Onno schudde zijn hoofd. ‘Nee, dat geloof ik niet.’
‘Ik hoop het niet, maar het klinkt niet best.’
‘O god, je hebt gelijk…ik moet naar huis.’ Hij begon te rennen.
‘Ik breng je naar huis, we halen jouw auto later wel op!’ riep Fred.
Onno voelde zijn hart steeds harder en sneller bonzen. Zijn buik deed zeer. Zweet en regendruppels prikten in zijn ogen. Op de parkeerplaats boog hij zich naar voren en proestte het een paar keer uit.
‘Het is beter dat je nu niet rijdt! Je bent overstuur!’ hijgde Fred toen hij naast hem verscheen.
Met gemengde gevoelens stapte Onno bij hem in.
‘Ik snap dat je nu niet op mijn aanwezigheid zit te wachten,’ zei Fred toen hij de auto startte en de parkeerplaats afreed. ‘Ik zet je thuis af en dan rij ik met Paula meteen door naar huis, dat beloof ik.’
‘Weet Paula het?’
‘Nee, nog niet.’
‘Dan moeten we dat zo laten.’ Hij pakte een zakdoek uit zijn broekzak en veegde daarmee zijn gezicht droog.
‘Meen je dat?’
‘Het geeft alleen maar narigheid en verdriet.’ Hij keek opzij. ‘Of je moet het haar graag willen vertellen?’
Fred schudde kort zijn hoofd. ‘Nee, liever niet natuurlijk.’
‘Dat dacht ik wel.’

Voor de deur stond een politieauto, daarachter de auto van Joris.
Fred zette de motor uit.
Onno verroerde zich niet. Minuten gingen voorbij.
‘Stap je nog uit?’
‘Ik durf niet.’
‘Je moet. Je gezin heeft je nodig.’
‘Is dat zo?’
‘Ja, dat is zo! Kom, ik loop met je mee.’ Hij opende zijn portier.
Onno greep zijn arm vast. ‘Ik ben vanmorgen bij Jeffrey geweest.’
‘Wat?’
‘Ik wilde met hem praten over het steekincident in de hoop iets van berouw te zien.’
‘En?’
‘Niks, hij toonde geen enkel berouw.’
‘Dat spijt me.’
‘Ik heb tegen hem gezegd dat we hem voorlopig niet meer willen zien.’
‘Dat is een logische reactie.’
‘Ik heb hem misschien wel de dood ingejaagd Fred!’
‘Natuurlijk niet!’
‘Jawel, ik heb hem mijn rug toegekeerd en nu…’
‘Stop! Ik had helemaal niets moeten zeggen, misschien heb ik het helemaal mis en valt het allemaal wel mee.’
Onno wees met een trillende vinger naar het huis. Je hoefde immers geen helderziende te zijn om te weten dat hij waarschijnlijk gelijk had. Politieagenten wachtten niet zomaar op de man des huizes, en dan de auto van Joris. Marie had hem vast gebeld en dat deed ze niet zonder reden. Hier was iets verschrikkelijks aan de hand.

Met iedere stap die hem dichter naar de deur van de woonkamer bracht waarachter het onheil op hem wachtte, werden zijn voeten zwaarder. Hij hoorde stemmen, onbekende stemmen, zacht bijna fluisterend. Iemand snoot zijn of haar neus. In de keuken liep de kraan. Hij duwde de deur open en keek naar binnen. Hij hield zijn adem in, maakte geen geluid. Marie zat op de bank. Joris zat dicht naast haar en hield haar handen vast. Aan tafel zaten twee agenten. Ze dronken koffie. Niemand merkte hem op. Hij hoopte dat dit moment eeuwig zou duren. Nu was hij nog gewoon Onno, getrouwd met Marie, vader van drie kinderen: Joris een gedreven succesvolle advocaat, Louise een eigenzinnige creatieve fotografe en Jeffrey die de weg een beetje kwijt was. Maar dat kwam goed. Hij zou ervoor zorgen dat het goed kwam.
Naast hem schraapte Fred zijn keel.
Alle gezichten draaiden hun kant op.
De agenten kwamen uit hun stoel omhoog.
Hij knikte hen toe.
‘Bent u de vader van Jeffrey Verbeek?’
Hij keek naar Fred en toen naar Marie en zag haar mooie blauwe ogen vollopen met tranen. Een wanhopige snik ontsnapte aan haar keel.
‘Ja, ik ben de vader van Jeffrey,’ antwoordde hij met hese stem.
‘Fijn dat u zo snel naar huis kon komen, gaat u even zitten alstublieft.’
Hij kon zich niet bewegen.
‘Meneer Verbeek?’
Fred pakte hem bij zijn elleboog en stuurde hem zachtjes in de richting van de bank waar Joris plaats voor hem maakte. De agenten namen tegenover hen plaats. Eén van hen nam het woord.
‘Meneer Verbeek, het spijt ons enorm dat wij u dit verdrietige nieuws moeten brengen. Uw zoon is het slachtoffer geworden van een verkeersongeval. Hij heeft het niet overleefd. Hij is ter plaatse overleden aan zijn verwondingen.’
Marie slaakte een hartverscheurende kreet.
Onno staarde de agenten wezenloos aan.
‘Wat is er precies gebeurd?’
‘Uw zoon zat achter het stuur, mogelijk onder invloed, maar dit moet het onderzoek uiteraard nog uitwijzen. Ooggetuigen hebben de auto in ieder geval over de weg zien slingeren en tegen een boom tot stilstand zien komen. Uw zoon was op slag dood. Zijn vriendin is uit de auto geslingerd. Zij én haar ongeboren kind zijn buiten levensgevaar. Er waren geen andere voertuigen bij betrokken.’
Hij voelde hoe Marie zijn arm stevig beetpakte.
‘Zijn vriendin zegt u?’
‘Ik heb van uw vrouw begrepen dat u beide niet op de hoogte was van zijn relatie?’
‘Nee, weet u dit wel zeker?’
De agent knikte.
‘En ze draagt zijn kind?’ vroeg Onno.
‘Ja, ze is vijf maanden zwanger.’

Wordt vervolgd (deel vijftien)

Een vogel voor de kat deel dertien

Een vogel voor de kat

Heb je deel twaalf al gelezen of wil je bij het begin beginnen?

Het werd frisser en aan het licht te zien dat door de rechthoekige gaten van de uitkijkhut naar binnen viel, begon het weer te betrekken. Onno ritste zijn jas tot bovenaan dicht en trok zijn schouders op. Hij kwam hier regelmatig, maar nooit met een andere reden dan vogels te bekijken en nooit zonder zijn verrekijker. Sinds hij de hut in was geklommen had hij nog geen blik naar buiten geworpen. Voor zijn gevoel zat hij al uren tegen de houten binnenwanden aan te kijken. Het was een warboel in zijn hoofd. Hij probeerde alles op een rijtje te krijgen, maar zijn gedachten buitelden non-stop over elkaar heen. Hij kon het allemaal niet meer bevatten. Hij had zich altijd de gelukkigste man ter wereld gevoeld met Marie aan zijn zijde, maar nu bleek dat ze hem had bedrogen en hij had helemaal niets gemerkt! Hoe had hij nu niets kunnen merken! Had hij een aandeel in dit drama? Hij had altijd een drukke baan gehad en soms had dat een tol van hem geëist, waardoor hij minder tijd had gehad voor zijn gezin. Had hij haar tekort gedaan? Haar liefde als vanzelfsprekend beschouwd?
Hij begreep nu waarom ze zulke wisselende buien had gehad toen ze zwanger was van Jeffrey en ook nog een hele poos daarna. Hij had het altijd gewijd aan haar hormoonhuishouding en de moeizame zwangerschap , maar het was natuurlijk wroeging geweest. De opvoeding van Jeffrey was voor haar ook moeilijker geweest dan de opvoeding van de andere kinderen. Dat had dus helemaal niets te maken met haar leeftijd of het feit dat Jeffrey een nakomertje was geweest. Hij vroeg zich af of Jeffrey het als kind ooit had gemerkt en of dit van invloed was geweest op het verloop van zijn jonge leven. Hij liet zuchtend zijn hoofd naar beneneden hangen. Boven zijn hoofd klonk het geroffel van regendruppels op het dak, eerst zachtjes, toen steeds harder. Het geluid overstemde zijn eigen gejammer. Tranen stroomden over zijn wangen, druppels liepen uit zijn neus. Hij veegde ze weg met de mouw van zijn jas.
‘Onno.’
De bekende stem deed zijn lichaam verstarren.
‘Ik heb je overal gezocht.’
‘Je hebt me gevonden,’ antwoordde hij kil. ‘Nu kun je weer gaan.’
Fred schudde zijn paraplu uit en zette hem tegen één van de wanden. ‘Ik wil met je praten.’
Onno keek zijn vriend vernietigend aan. ‘Ik wil niet met jou praten.’
‘Laat me uitleggen wat er is gebeurd.’
‘Ik wéét wat er is gebeurd. Je hebt met mijn vrouw geslapen! Jullie hebben me allebei bedrogen en het jarenlang voor me verzwegen! Ik heb je niets te zeggen, ik wil dat je opsodemietert! Verdwijn uit mijn ogen!’
‘Nee!’
Onno sprong overeind, greep Fred bij zijn kraag en duwde hem een hoek in.
‘Sla me maar, ik heb het verdiend!’
Snuivend liet hij hem los. ‘Je bent het niet waard.’
Fred streek zijn jas glad. ‘Er is geen excuus voor wat ik heb gedaan. Ik vraag niet om vergeving. Ik vraag je enkel naar me te luisteren, omdat ik wil dat je weet dat er nooit meer is geweest tussen Marie en mij dan dat ene moment die bewuste nacht en omdat je moet weten hoe dat moment tot stand is gekomen. Dat het voor geen van ons beiden een bewuste keuze is geweest.’
Zwijgend liet Onno zich weer op de houten bank zakken.
‘Het was de avond dat Alice weer onverwachts opgenomen werd in het ziekenhuis,’ begon Fred. ‘Jij was er niet. Je was een paar dagen weg voor je werk. Kun je je dat nog herinneren?’
Toen Onno niet antwoordde ging hij verder: ‘Marie kwam naar het ziekenhuis om me te steunen. Ik zat er helemaal doorheen. Ik wist niet of ik het nog langer vol hield. Ziekenhuis in, ziekenhuis uit. Ik zag Alice steeds verder aftakelen en ik kon niets doen. Ik was boos en verdrietig. Na urenlang wachten zeiden de artsen dat ik beter naar huis kon gaan om te rusten. Marie bood me thuis een borreltje aan om een beetje tot rust te komen, maar het werden er meer dan één.’
Onno mompelde iets onverstaanbaars.
Fred negeerde hem. ‘Ik hield ontzettend veel van Alice, maar ze was niet meer de vrouw waar ik mee getrouwd was. Ik miste de passie tussen ons, seks hadden we al jaren niet meer. Alice wist dat ik daar steeds meer moeite mee had. Ze heeft zelfs gezegd dat ze het wel begreep als ik naar een prostituee zou gaan, maar seks zonder enige vorm van liefde of genegenheid was niets voor mij. Ik moest huilen toen ik dit die avond aan Marie vertelde. Ze nam me in haar armen en troostte me. Ik weet niet wat er gebeurde, maar…’
‘Ja, ho maar! Ik hoef het niet te horen.’
‘Net toen we onze kleding weer gefatsoeneerd hadden, stond Joris ineens beneden in de woonkamer.’
‘Wat? Heeft Joris jullie gezien!” riep Onno ontzet uit.
Fred schudde snel zijn hoofd. ‘Ik denk niet dat hij iets gemerkt heeft, maar we waren meteen ontnuchterd. Marie gooide me praktisch de deur uit en we hebben er niet meer over gesproken totdat ze ontdekte dat ze in verwachting was. Ze was in alle staten en heeft meerdere keren op het punt gestaan het je te vertellen. Ik heb haar daar steeds van weten te weerhouden. Ik wilde voorkomen dat Alice het te weten zou komen. Het ging alleen maar slechter met haar, ze had niet veel tijd meer. Ik wilde haar geen verdriet doen aan het einde van haar leven.’
‘Daar had je eerder bij stil moeten staan.’
‘Ja, dat weet ik.’
Onno stond op en tuurde door één van de kijkgaten naar buiten.
‘Onno, ik heb altijd traag zaad gehad, dat weet je,’ zei Fred. ‘Daarom ben ik nooit vader geworden. De kans dat Jeffrey mijn zoon is, is dus bijna nihil.’
Onno draaide zich met een ruk om. ‘En dat maakt wat jullie gedaan hebben minder erg?’
Er klonk een aanhoudend gezoem. Fred haalde zijn mobiele telefoon uit zijn zak en keek op het schermpje. Hij fronste zijn wenkbrauwen en nam op.
‘Paula?…ja…wat bedoel je…jezus…ja natuurlijk, we komen er meteen aan.’
Onno keek hem vragend aan.
‘Dat was Paula. Ze is bij Marie. Er is politie.’
‘Politie?’ Onno schudde verward zijn hoofd.
Fred duwde Onno naar de uitgang van de uitkijkhut. ‘Het gaat om Jeffrey.’

Wordt vervolgd (deel veertien)

Een vogel voor de kat deel twaalf

Een vogel voor de kat

Heb je deel elf al gelezen of wil je beginnen bij het begin?

De bus reed van halte naar halte. Het maakte hem moe. Hij wilde zijn ogen sluiten, zich overgeven aan een diepe, zorgeloze slaap om even niet meer te hoeven nadenken en even niet meer te hoeven voelen. Hij was verdrietig om zijn zoon. Jeffrey leefde in een andere wereld, dat besefte hij nu. De alcohol en drugs hadden een gevoelloos persoon van hem gemaakt.
Hij keek door het raam naar buiten, zag de vrouw met het kind achterop de fiets, de jongen op de blauwe scooter voor het rode licht en de drie schoffelende plantsoenmedewerkers op de rotonde. Zijn ogen registreerden alles maar het ging in een waas aan hem voorbij.
Hij had het helemaal verkeerd aangepakt. Hij had al veel eerder strenger moeten optreden, geen grote mond of agressie moeten tolereren. Zéker niet onder zijn eigen dak. Hij had hem ook geen geld moeten geven al die keren dat hij daarom had gevraagd…het had geëist. Hij had zich laten intimideren door zijn eigen zoon en had daarmee diens verslaving gefinancierd. Nee. Het was een simpel drie letterig woord. Nee, je krijgt geen geld. Dat had hij moeten zeggen. Wat was hij voor een vader! Wat was hij voor een lafaard! Zuchtend schudde hij zijn hoofd en wreef over zijn gezicht. Hij was naïef. Marie had helemaal gelijk, en zij wist niet eens alles, want hoe vaak had hij niet iets voor haar verzwegen. Sommige situaties had hij haar gewoon willen besparen, er vloeiden tenslotte al genoeg tranen. Hij wist ook niet of hij haar zal vertellen over zijn bezoek aan Jeffrey. Wat had het voor zin. Hij had toch niets positiefs te melden en dat was wel wat Marie nodig had, iets positiefs. Dat hadden ze allebei hard nodig. Het werd tijd om die reis te gaan boeken, geen uitstel meer. Hij drukte op het knopje. Voor in de bus lichtte het woordje ‘STOP’ rood op. Hij kwam overeind en bewoog zich alvast richting de deur. Genieten, dacht hij, dat gingen ze doen.

Thuisgekomen keek hij eerst in de spiegel. Hij volgde met zijn wijsvinger de rimpels in zijn voorhoofd en trok zijn mondhoeken omhoog tot een geforceerde glimlach. Het verdriet was al bijna van zijn gezicht verdwenen, verborgen achter een masker. Zuchtend liep hij naar de woonkamer. Het was stil in huis. Hij vermoedde dat Marie even op bed was gaan liggen. Hij besloot haar te verrassen, pakte het dienblad uit de kast, zette het koffiezetapparaat aan en haalde brood uit de broodtrommel. Hij sneed een trostomaat en een stuk komkommer in schijfjes, schaafde plakjes belegen kaas en haalde een paar plakken boerenham uit de verpakking waarmee hij de sandwiches royaal belegde en ze vervolgens diagonaal doorsneed. Daarna liep hij naar de woonkamer om de stapel vakantiefolders te pakken zodat ze samen een hotel konden uitkiezen en vanmiddag nog iets bij het reisbureau konden boeken. Hij glimlachte bij de gedachte. Voorzichtig liep hij met het dienblad naar boven. Halverwege de trap hoorde hij haar praten. De slaapkamerdeur stond op een kier. Hij zag Marie op de rand van het bed zitten. Ze was aan het telefoneren. De toon in haar stem weerhield hem ervan om naar binnen te gaan.
‘Nee, dat kan ik niet,’ hoorde hij haar zeggen en na een korte stilte: ‘dat denk ik niet. Ik zou het ook niet begrijpen als ik hem was.’ Ze stond op, keek even door het raam naar buiten en ging toen weer zitten. ‘Daar is het nu te laat voor,’ zei ze hoofdschuddend.
Hij vroeg zich af wie ze aan de telefoon had, hij kon haar woorden niet plaatsen.
‘Dat is het wel en dat weet je!’ klonk het geagiteerd.
Het dienblad in zijn handen werd steeds zwaarder.
‘Ja, maar niet onmogelijk,’ antwoordde Marie.
Hij schraapte zijn keel en duwde met zijn voet de deur open.
Geschrokken draaide Marie zich om en drukte de telefoon in het dekbed.
‘Wat doe jij nou?’ vroeg ze met rood aangelopen gezicht toen hij het dienblad op het bed neerzette.
‘Ik kom je verrassen.’
‘O…wat lief.’
‘Wie heb je aan de telefoon?’
Verward keek ze naar de telefoon in haar hand alsof ze het ding voor het eerst in haar leven zag. ‘O…dat was iemand van het boekenclubje.’ Haastig zette ze de telefoon op het laadstation en toverde een glimlach op haar gezicht. ‘Wat heb je gemaakt?’
‘Het klonk niet als iemand van het boekenclubje.’
‘Heb je staan luisteren?’ vroeg ze verwijtend.
‘Niet bewust, ik ving wat op.’
‘Nou, het was echt iemand van het boekenclubje en zo’n bijzonder gesprek was het niet.’ Ze tilde de bovenkant van één van de sandwiches een stukje op. ‘Dat ziet er lekker uit.’
‘Marie.’
Ze keek op.
‘Je liegt.’
Ze ademde hoorbaar in en friemelde aan de zilveren ketting rond haar hals.
Hij liep om het bed heen, ging naast haar zitten en keek haar vragend aan.
Ze wendde haar blik af.
‘Marie toe, waar ging dat gesprek over.’
‘Laat het rusten, alsjeblieft,’ bracht ze wanhopig uit.
‘Nee.’
Ze sloeg haar handen voor haar gezicht. ‘Ik kan het niet vertellen!’
Hij greep haar handen vast en trok ze naar beneden. ‘Dat is onzin! Je kunt me alles vertellen!’
Ze schudde wild haar hoofd.
Met een ruk kwam hij overeind en sloeg daarmee perongeluk het dienblad omver. ‘Verdomme Marie!’
‘Goed! Ik zal het je vertellen! Ik heb ons leven verpest!’
Hij slaakte een geërgerde zucht. ‘Wat is dat nu weer voor onzin!’
‘Het is geen onzin!’ Ze wees naar zijn buik.
‘Dat heeft Jeffrey gedaan, niet jij.’
‘Hij is mijn zoon.’
‘Hij is ónze zoon.’
‘Dat…weet ik niet.’
‘Dat weet je niet?’
Ze stond op en keek hem secondenlang zwijgend aan.
‘Marie?’
‘Het spijt me,’ zei ze bijna onhoorbaar. Tranen welden op in haar vertrouwde blauwe ogen.
Hij slikte moeizaam. ‘Wie was het.’
‘Dat doet er niet toe.’
Hij schudde haar door elkaar. ‘Ik wil het weten!’
‘Onno!’
Hij griste de telefoon van het oplaadstation. ‘Wie krijg ik aan de telefoon als ik op de herhaaltoets druk!’
‘Fred!’ Ze spuugde zijn naam uit.
Verbouwereerd liet hij de telefoon uit zijn handen vallen.
‘Het was Fred,’ zei ze nog eens huilend.
Verdwaasd keek hij naar de koffievlekken op het dekbed en de vloerbedekking. De koppen en het bord met de sandwiches lagen omgekeerd op de grond, gedeeltelijk bedekt met de vele vakantiefolders. Hij bukte zich en pakte één van de folders op.
‘Onno…het is maar één keer gebeurd, laat het me uitleggen…’
Hij draaide zich om en liep langzaam de kamer uit. Zachtjes trok hij de deur achter zich dicht.

Wordt vervolgd (deel dertien)

Een vogel voor de kat deel elf

Een vogel voor de kat

Heb je deel tien al gelezen of wil je beginnen bij het begin?

Onno duwde de deur open. Een penetrante urinegeur drong zijn neus binnen. Hij keek om zich heen. Het portiek zag er nog altijd vervallen uit. Het was duidelijk een hangplek voor jongeren. De tegelvloer lag bezaaid met lege blikjes en sigarettenpeuken. De muren zaten vol bruine vlekken en waren beklad met de meest grove leuzen. Het was geen plek waar hij graag kwam. Hij moest op de derde verdieping zijn en drukte op de knop van de lift. De rode deur schoof piepend open. Hij keek de kleine ruimte in en schudde zijn hoofd. De trap leek hem een betere optie. Terwijl hij naar boven liep, dacht hij aan Marie. Hij had tegen haar gelogen. Hij had gezegd dat hij ging vogelen. Ze wist dus niet waar hij was. Niemand wist waar hij was. Hij kreeg het ineens warm. Bij het bereiken van de derde verdieping, veegde hij met een zakdoek het zweet van zijn voorhoofd. Hij zuchtte diep. Hij moest rustig blijven nu, er zou niets gebeuren.
Jeffrey woonde in de eerste flat van de galerij. Hij gluurde door het keukenraam naar binnen. Het aanrecht stond vol lege glazen, drankflessen, vieze borden en aangekoekte pannen. Er was geen deurbel, enkel twee schakeldraadjes die uit een kapot grondplaatje staken. Hij klopte een paar keer hard op de deur en wachtte gespannen terwijl hij naar de duiven keek die een stukje verderop op de reling van de balustrade zaten te genieten van de ochtendzon. Het duurde even, maar uiteindelijk ging de deur open. Jeffrey knipperde met zijn ogen tegen het zonlicht. Zijn haren stonden alle kanten op en aan zijn baardgroei te zien, had hij zich al dagen niet geschoren. Hij was gekleed in een vaal grijs T-shirt en een witte onderbroek. Tussen zijn lippen hing een sigaret. ‘Pa, wat doe jij hier?’
Dat was een goede vraag. Hij had hier ook niet kunnen zijn, nooit meer. Hij had dood kunnen zijn. Hij zou in een kist kunnen liggen, diep onder de grond of als duizenden stofjes opgesloten kunnen zitten in één of andere lelijke urn. Mensen zouden om hem rouwen. Marie zou zich verloren voelen, kapot gaan van verdriet en zijn kinderen – hij keek Jeffrey onderzoekend aan – hoe zouden die zich voelen?
‘Ik zou je wel binnen willen vragen, maar het is een kolere bende en ik heb bezoek, als je begrijpt wat ik bedoel.’ Hij nam een lange haal van zijn sigaret. ‘Jezus pa! Zeg eens wat!’
Onno slikte en legde zijn hand op de plek waar hij met het mes was gestoken.
Jeffrey volgde zijn beweging en knikte naar zijn hand. ‘Ik deed het niet met opzet, ik schrok.’
‘Waarom liep je met een mes over straat?’
Hij tikte het as van zijn sigaret. ‘Ik heb altijd een mes bij me om mezelf te beschermen.’
Onno haalde zijn wenkbrauwen op.
‘Ik was er niks mee van plan.’
‘Weet je dat zeker?’
‘Ja, natuurlijk weet ik dat zeker!’ snauwde hij.
‘Je was onder invloed en liep op die mannen af met dat mes in je handen.’
‘Jef?’ klonk een vrouwenstem.
Hij schoot zijn peuk over de balustrade van de galerij en draaide zich om. ‘Ik kom er aan!’
‘Je liep recht op die mannen af,’ herhaalde Onno.
‘Ik was er niet op uit iemand neer te steken, oké? En wat bezielde je trouwens, weet je wel wie die lui waren? Je hebt zoveel geluk gehad. Ze hadden je echt flink te grazen kunnen nemen!’
‘Jij hebt me te grazen genomen!’ zei hij luid met overslaande stem.
Jeffrey wendde zijn blik af. ‘Ik word heus wel gestraft, wees maar niet bang.’
‘Jef! Kom nou!’ klonk de vrouwenstem weer.
Hij sloeg met zijn vuist tegen de deurpost. ‘Hou godverdomme je smoel! Ik zeg toch dat ik er zo aan kom!’
Onno zette een stap naar achteren.
‘Ik kan wel voor jaren de bak indraaien, pa.’
‘Dat weet ik.’
‘Ma en jij komen toch wel om me te steunen als ik voor moet komen?’
‘Jij hebt wel lef. Je vraagt niet hoe het gaat, je vraagt niet naar je moeder en je hebt nog niets gezegd waaruit blijkt dat je spijt hebt, maar je wilt wel weten of we je komen steunen.’ Onno maakte aanstalten om weg te lopen.
Jeffrey greep zijn arm vast. ‘Natuurlijk heb ik spijt!’
‘Laat los.’
‘Pa.’
‘Laat los, nu!’
Jeffrey stak zijn handen omhoog.
‘Je moeder en ik willen je voorlopig niet zien, ik hoop dat je dat respecteert.’
Hij snoof.
‘Doe je dat niet. Dan vraag ik een straatverbod aan.’
Jeffrey smeet de deur dicht.
Onno wist niet hoe snel hij weer beneden moest komen. Hij verliet het smerige portiek en zocht hijgend steun tegen de buitenmuur van de flat. Schokschouderend begroef hij zijn gezicht in zijn handen.

Wordt vervolgd (deel twaalf)

Een vogel voor de kat deel tien

Een vogel voor de kat

Heb je deel negen al gelezen?

Hij zag hoe de grijze kat over het gazon sloop, in het vizier de merel, die nietsvermoedend met zijn snavel tussen het gras pikte. Hij trok zijn pantoffel uit, wachtte op het juiste moment en gooide de deur open. Gealarmeerd vloog de merel ervandoor. De ineengedoken kat staarde hem met grote ogen aan. Hard smeet hij de pantoffel naar zijn kop. De kat vluchtte weg. Hij pakte de overgebleven boterhammen van het ontbijt en liep op één pantoffel naar buiten. Een zwerm tjilpende mussen streek neer op de dakrand van het schuurtje. Nieuwsgierig observeerden ze zijn handelingen. Hij verkruimelde de boterhammen boven het voederplateau, raapte de pantoffel van de grond en schoof deze weer aan zijn voet. Binnen sloeg de koekoeksklok, het was tien uur. Joris kon ieder moment langskomen met nieuws over Jeffrey. Hij keek door het raam naar binnen. Marie zat op de bank te lezen, althans dat leek zo, hij had haar het afgelopen uur nog geen bladzijde zien omslaan. Haar uitbarsting vorige week in het ziekenhuis stond hem nog helder voor de geest en ook al had ze diezelfde dag nog gezegd dat hij het moest vergeten, dat het haar gewoon even teveel was geworden, hij wist dat er een kern van waarheid schuilde in haar harde woorden. Het was immers al jaren een onuitgesproken feit geweest; zonder hun jongste zoon zou het leven makkelijker zijn. Hij begreep haar en nam haar niets kwalijk. Hij was alleen geschrokken van haar felheid.
Hij zag hoe ze haar mouwen omhoog schoof en haar armen aan een uitgebreid onderzoek onderwierp. Sinds een paar dagen had ze last van jeukende huiduitslag als gevolg van haar medicatie. Gefrustreerd begon ze te krabben. Hij wilde met haar op vakantie, liefst zo snel mogelijk, het zou goed voor haar zijn, voor hen allebei. De deurbel deed hem opschrikken. Hij liep naar binnen. Marie was overeind gekomen en stond midden in de kamer. Hun blikken ontmoeten elkaar, hielden elkaar vast. Seconden tikten voorbij. Weer klonk de deurbel, dringender deze keer. Tegelijkertijd kwamen ze in beweging.

‘Het Openbaar Ministerie heeft hem mishandeling ten laste gelegd en er zijn verzwarende omstandigheden die de rechter zeer waarschijnlijk in acht zal nemen, het feit dat het slachtoffer een familielid is bijvoorbeeld. Bovendien heeft hij al een strafblad.’ Joris schoof de papieren die voor hem op tafel lagen naar voren en tikte erop met zijn wijsvinger. ‘Hij heeft tal van overtredingen op zijn naam staan: drugsbezit, rijden onder invloed en hij schijnt vorig jaar betrokken te zijn geweest bij een vechtpartij in een bar, maar door geringe bewijslast is dat nooit voorgekomen.’
Onno staarde naar het papier.
‘Het kan in zijn voordeel werken als jullie in de rechtbank aanwezig zijn om voor hem te getuigen.’
Marie schudde stellig haar hoofd.
‘Dat hoeven jullie nu nog niet te beslissen, ma.’
‘Als we voor hem getuigen, keuren we goed wat hij heeft gedaan.’
‘Ik begrijp dat dat nu zo voelt, maar…’
‘Ik wil het niet!’
Hij stak afwerend zijn handen omhoog.
‘Ik begrijp überhaupt niet waarom jij hem per se moet vertegenwoordigen.’
Joris schraapte zijn keel.
‘Wanneer is de rechtszaak?’ kwam Onno tussenbeide.
‘Dat duurt nog wel even, waarschijnlijk volgend jaar pas.’
‘Waarom duurt dat zo lang, is dat normaal?’
‘Ja, helaas wel.’
‘Wat gebeurt er met Jeffrey tot die tijd?’
‘Hij is gisteren vrijgelaten in afwachting van zijn straf.’
Marie keek hem verschrikt aan en greep Onno’s hand vast.
‘Je hoeft niet bang te zijn, ma. Hij komt echt niet onaangekondigd langs.’
‘Hoe weet je dat zo zeker?’
‘Ik heb het hem ten strengste afgeraden.’
‘Daar luistert hij toch niet naar. Hij luistert nooit ergens naar.’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Jullie kunnen altijd nog een straatverbod aanvragen. ’
Onno schudde zijn hoofd. ‘Dat is niet nodig. Ik zal deze week met hem gaat praten.’
Marie keek hem met grote ogen aan en opende haar mond.
Hoofdschuddend legde hij haar het zwijgen op.
Ze wendde haar blik af.
Joris dronk zijn koffie op en bukte zich om zijn aktetas van de grond te pakken. ‘Ik moet weer gaan, ik heb over een uur een afspraak in de rechtbank.’ Hij stopte de papieren in zijn tas en gaf Marie een kus.
Onno volgde hem naar de gang. ‘Bedankt dat je tijd wilde vrijmaken om je broer te helpen,’ zij hij met gedempte stem.
‘Ik doe gewoon wat je me hebt gevraagd, pa.’
Hij wierp een blik over zijn schouder. ‘Dat weet ik, ik waardeer het dat je dat niet tegen je moeder hebt gezegd. Ik denk niet dat ze het met mijn verzoek eens zou zijn geweest.’
‘Daarom wilde ik dit ook niet in haar bijzijn vertellen.’ Hij opende de voordeur en draaide zich naar hem om. ‘Het is heel goed mogelijk dat Jeffrey veroordeeld wordt tot een fikse geldboete en als hij die boete niet kan betalen, zal hij zijn straf in de gevangenis moeten uitzitten. Je weet ook wel dat hij geen rooie rotcent heeft, hij leeft van een uitkering, dus het is misschien handig die plannen van jullie maar even uit te stellen.’ Hij klopte hem ter afscheid op zijn schouders en liep het tuinpad af.
Onno slaakte een diepe zucht en keek omhoog. Een vliegtuig dat in zuidelijke richting vloog, trok een dikke witte streep door de blauwe lucht.
Marie zat nog steeds aan tafel toen hij de kamer weer binnenkwam, haar hoofd gebogen, in haar handen een papieren zakdoekje die ze tot een kleine prop kneep. ‘Je gaat dus naar Jeffrey toe.’
Onno ging naast haar zitten. ‘Ik ga gewoon rustig met hem praten.’
‘Doe niet zo naïef! Jij kunt rustig met hem willen praten, maar je weet helemaal niet in welke toestand hij verkeerd, nuchter of onder invloed, waarschijnlijk dat laatste en dan is de kans groot dat hij boos wordt, gaat schreeuwen en misschien weer rare dingen gaat doen.’
‘Ik kan wel tegen een stootje, dat weet je toch?’ zei hij luchtig in een poging haar gerust te stellen.
Boos keek ze hem aan. ‘Je ziet nog steeds de ernst van de situatie niet in.’
‘Jawel, maar ik wil blijven geloven dat hij ons nooit opzettelijk pijn zou doen.’
‘Opzettelijk of niet, hij heeft het wel gedaan.’
Hij keek haar zwijgend aan.
In haar ogen welde tranen op. ‘Je vindt me zeker een vreselijke moeder omdat ik mijn eigen zoon niet vertrouw. Je vindt zeker dat ik hem in de steek laat.’
Hij schudde zijn hoofd.
‘Dat snap ik best, hoor. Dat vind ik zelf ook. Ik vind mezelf ook een vreselijke moeder.’
‘Hou op, Marie.’ Hij nam haar gezicht tussen zijn handen. ‘Wees niet zo hard voor jezelf. Je bent geen vreselijke moeder, je bent gewoon een bange moeder en dat is heel begrijpelijk.’
‘Een bange echtgenote,’ zei ze zacht. ‘Ik wil je niet kwijt.’
Hij drukte zijn lippen op die van haar.
Aarzelend beantwoordde ze zijn kussen.

Wordt vervolgd deel elf