• Sabine

    Sabine

    Schrijft, publiceerde 'Reflections of a brainjoshed mind', fantaseert en droomt, leest veel, fotografeert, Josh Groban fan, is gek op haar hondjes en schaapjes, houdt van de natuur, vindt sushi overheerlijk en mams kip het allerlekkerst.

    Bekijk volledige profiel →

  • Gepubliceerd

  • Voer je emailadres in en ontvang een mail als er een nieuw bericht op mijn website wordt geplaats

    Doe mee met 641 andere volgers

Onbewoond

Ik heb mensen horen zeggen dat het onbewoond is, oud en lelijk van binnen en van buiten, dat iemand het met de grond gelijk zou moeten maken. Het mag dan misschien oud zijn en op een dag als deze, die grijs is en nat, ziet het er zeker somber uit, maar onbewoond is het niet. Het staat aan het einde van een stille doodlopende landweg met uitzicht over uitgestrekte weilanden, gescheiden door sloten. In de achtertuin staat een enorme eik van misschien wel honderd jaar oud, zijn takken reiken tot aan het dak. Onder de dakpannen en doorgezakte dakgoten zijn tientallen nesten gebouwd, vogels vliegen af en aan. De muren zijn nog sterk, ook al vertonen ze hier en daar wat scheuren en gaten. In de openingen scharrelen vaak muisjes rond. Ze komen even tevoorschijn, laten hun neusjes zien en verdwijnen dan weer, een spannend schouwspel voor de vier jonge poesjes die dit voorjaar op zolder zijn geboren. De gebarsten vensters in het huis zijn klein en vies, binnen is het bijna donker, maar dat geeft niet. Het huis doet enkel dienst als schuilplaats, een veilige plek waar ik beschut ben tegen weer en wind. Bovendien heb ik toch niets om te lezen en papier of gerei om mee te schrijven heb ik niet. Soms als ik buiten zit voor de deur, die scheef in zijn kapotte scharnieren hangt, maak ik met mijn rimpelige wijsvinger woorden in het zand, gewoon om mezelf ervan te overtuigen dat ik het nog niet vergeten ben, mijn taal. Letters als een kortdurend bewijs van mijn bestaan, tot de wind of regen ze te pakken krijgt of de nacht ze voor mijn ogen laat verdwijnen.

 

© S. v. Deudekom

 

Dood door schuld

Er is een zwaan overleden, een jonge grijze zwaan. Hij was één van de acht jongen die dit voorjaar geboren zijn. Hij dreef tussen het riet, zijn lange hals verstrikt in achtergelaten visdraad. Een paar dagen later is er een man gevonden. Hij dreef in het water met zijn gezicht naar beneden gekeerd. Het was een onbekende visser. Eén van de velen. Hij is verdronken.

© S.van Deudekom

De struik

Pats!
Mijn vlakke hand belandde op mijn blote plakkerige bovenarm. Ik schoot het platgeslagen insecten lijk met mijn duim en wijsvinger weg en streek een losgeraakte pluk haar achter mijn oor. De zon scheen gemeen op mijn lichaam, zweet prikte op mijn huid. Mijn mond was kurkdroog, mijn hoofd bonkte en leek te ontploffen steeds als ik me voorover boog. Waarom ik juist vanmorgen besloten had dat die struik er vandaag uit moest, wist ik niet meer, maar ik had de kracht niet meer om verder te graven. Het ging me niet lukken. De wortels zaten te diep net als mijn verdriet. Zuchtend liet ik me op de grond zakken en staarde een tijdje naar mijn met aarde besmeurde handen. Mijn beeld werd steeds troebeler. Kwaad trapte ik tegen de spade.
‘Hallo,’ klonk een stem.
Geschrokken keek ik op.
Aan het begin van mijn tuinpad stond een vrouw. Ze stak haar hand omhoog. ‘Ik ben Gina, de nieuwe overbuurvrouw.’
Ik plaatste mijn hand boven mijn ogen.
De vrouw gekleed in een mouwloze lange lichtblauwe zomerjurk, liep op slippers. Haar teennagels waren roze gelakt. In haar hand had ze een flesje water. ‘Ik zag dat je bezig was in de tuin en ik dacht, ik ga even kennis maken.’ Ze stak me het flesje toe. ‘Je kunt vast wel wat verfrissing gebruiken.’
Ik veegde langs mijn ogen, krabbelde overeind en schraapte mijn keel. ‘Wat aardig, dank je wel. Ik ben Roos,’ zei ik toen ik het flesje aanpakte. Ik draaide meteen het dopje los en dronk het zonder adempauze voor de helft leeg.
‘Ik kom als geroepen, zie ik wel.’ Ze knikte naar de grond. ‘Moet die struik eruit?’
‘Ja, maar het lukt me niet.’
‘Ik zou me er nog niet eens aan wagen,’ lachte ze. ‘Zulke klusjes laat ik liever aan mijn man over. Daar maak ik mijn handen niet aan vuil.’
‘Mijn man is dood,’ zei ik.
Mijn nieuwe overbuurvrouw staarde me sprakeloos aan en ik vroeg me af wat ze dacht. Waarschijnlijk bedacht ze een manier om zich zo snel mogelijk uit de voeten te maken. Misschien was ze het nieuwsgierige type en ging ze me zo overladen met vragen of het troostende, meelevende type, klaar om me troostend in haar blote armen te sluiten.
Niets van dat alles was waar.
Ze trok de spade in één ruk uit de grond en duwde hem resoluut in mijn hand. ‘Het lukt je wel,’ zei ze zacht maar overtuigd. ‘Je moet niet opgeven.’ Na die woorden draaide ze zich om en liep het tuinpad af, de dunne stof van haar jurk dansend rond haar benen.
Ik glimlachte en met hernieuwde moed ging ik verder. Laat in de middag, toen de zon zich achter een dik en donkergrijs wolkendek verscholen had en er dikke druppels rondom mij op de aarde neer roffelde, trok ik kreunend met mijn laatste kracht de struik uit het diepe gat. Het was me gelukt!

© S.van Deudekom

Signaaltrompet

Er klinkt luid getoeter, een aankondiging.
De meerkoet rent razendsnel, klapperend met zijn vleugels over het water, trekt een opspattend spoor door het net nog zo gladde oppervlak.
Met zijn scherpe snavel laag vooruit gestoken trekt hij fanatiek ten strijde, overtuigd van zijn eigen kracht om de vijand neer te halen.

© S. Van Deudekom