Dood door schuld

Er is een zwaan overleden, een jonge grijze zwaan. Hij was één van de acht jongen die dit voorjaar geboren zijn. Hij dreef tussen het riet, zijn lange hals verstrikt in achtergelaten visdraad. Een paar dagen later is er een man gevonden. Hij dreef in het water met zijn gezicht naar beneden gekeerd. Het was een onbekende visser. Eén van de velen. Hij is verdronken.

© S.van Deudekom

De struik

Pats!
Mijn vlakke hand belandt op mijn blote plakkerige bovenarm. Ik schiet het platgeslagen insectenlijk met mijn duim en wijsvinger weg en strijk een losgeraakte pluk haar achter mijn oor. De zon schijnt gemeen op mijn lichaam, zweet prikt op mijn huid. Mijn mond is kurkdroog, mijn hoofd bonkt en lijkt te ontploffen steeds als ik me vooroverbuig. Waarom ik vanmorgen ook alweer besloten heb dat die struik er vandaag uit moet, weet ik niet meer, maar ik heb de kracht niet meer om verder te graven. Het gaat me bovendien toch niet lukken. De wortels zitten te diep net als mijn verdriet. Zuchtend laat ik me op de grond zakken en staar een tijdje naar mijn met aarde besmeurde handen. Dan werp ik een blik op de struik. Die lelijke klotestruik die al jaren in onze tuin staat. De struik die hij er maanden geleden al uit zou halen. Mijn beeld wordt steeds troebeler. Kwaad trap ik tegen de spade.
‘Hallo,’ klinkt een stem.
Geschrokken kijk ik op.
Aan het begin van mijn tuinpad staat een vrouw. Ze steekt haar hand omhoog. ‘Ik ben Gina, de nieuwe overbuurvrouw.’
Ik plaats mijn hand boven mijn ogen.
De vrouw gekleed in een mouwloze lange lichtblauwe zomerjurk, komt op haar slippers dichterbij. Haar teennagels zijn donkerroze gelakt. In haar hand houdt ze een flesje water. ‘Ik zag dat je bezig was in de tuin en ik dacht, ik ga even kennis maken.’ Ze steekt me het flesje toe. ‘Je kunt vast wel wat verfrissing gebruiken.’
Ik veeg langs mijn ogen, krabbel overeind en schraap mijn keel. ‘Wat aardig, dank je wel. Ik ben Roos.’ Ik draai meteen het dopje los en drink het flesje zonder adempauze voor de helft leeg.
‘Ik kom als geroepen, zie ik wel.’ Dan knikt ze naar de grond. ‘Moet die struik eruit?’
‘Ja, maar het lukt me niet.’
‘Ik zou me er nog niet eens aan wagen,’ lacht ze. ‘Zulke klusjes laat ik liever aan mijn man over. Daar maak ik mijn handen niet aan vuil.’
‘Mijn man is dood,’ zeg ik.
Mijn nieuwe overbuurvrouw staart me aan en ik vraag me af wat ze denkt. Waarschijnlijk bedenkt ze een manier om zich zo snel mogelijk weer uit de voeten te maken of misschien is ze het nieuwsgierige type en overlaadt ze me zo meteen met vragen of zou ze het meelevende type zijn, klaar om me troostend in haar blote armen te sluiten.
Niets van dat alles blijkt waar.
Ze trekt de spade in één ruk uit de grond en duwt hem resoluut in mijn hand. ‘Het lukt je wel,’ zegt ze zacht maar overtuigd. ‘Je moet niet opgeven.’ Na die woorden draait ze zich om en loopt het tuinpad af. De dunne stof van haar jurk danst rond haar benen.
Ik glimlach en met hernieuwde moed ga ik verder. Laat in de middag, als de zon zich achter een dik en donkergrijs wolkendek verscholen heeft en er dikke druppels rondom mij op de aarde neer roffelen, trek ik kreunend met mijn laatste kracht de struik uit het diepe gat.

© S.van Deudekom

Signaaltrompet

Er klinkt luid getoeter, een aankondiging.
De meerkoet rent razendsnel, klapperend met zijn vleugels over het water, trekt een opspattend spoor door het net nog zo gladde oppervlak.
Met zijn scherpe snavel laag vooruit gestoken trekt hij fanatiek ten strijde, overtuigd van zijn eigen kracht om de vijand neer te halen.

© S. Van Deudekom

Wandeling

In stilte volg ik het zachte, natte pad dat zwak verlicht wordt door het schijnsel van de maan. Ik voel de koude mist op mijn gezicht, kijk naar de vrolijk bewegende rode lampjes tussen de bomen en hoor geritsel van pootjes in het hoge gras. Niets anders dan rust zo vroeg in de ochtend. Ik denk aan jullie, tegen wie ik niets meer zeggen kan. Niets meer dan sprekende gedachten die niet meer beantwoord zullen worden, niet meer in dit leven, misschien daarna… Langzaam maakt donker plaats voor schemer, het einde van de wandeling nabij. Ik stamp mijn laarzen schoon, de hondjes schudden druppeltjes uit hun vacht en in de verte fluit een merel: het is tijd voor een nieuwe dag!

 

 

Copyright: S. van Deudekom

Onuitgepakt

Het cadeau lag op tafel, zorgvuldig ingepakt met een rood lint. Daarnaast de envelop.
Anne schoof haar stoel aan en streek zorgvuldig haar rok glad.
Het was stil in huis. Het enige wat ze hoorde, was de ventilator van de oven. Op haar bord, lag een vers gebakken croissant, net als toen, maar deze keer was hij niet opengesneden en bestreken met roomboter en aardbeienjam.
Ze nam een slokje van de vers geperste sinaasappelsap. Met samengetrokken gezicht zette ze het glas weer neer en reikte naar de ietwat vergeelde envelop. Voorzichtig maakte ze hem open.
De glanzende hartvormige kaart, deed haar lichtjes huiveren.
Eenentwintig, tweeëntwintig, drieëntwintig… haar hartslagen volgden elkaar snel op.
Ze draaide de kaart om en staarde een moment naar de tekst zonder echt te lezen. Er waren uitgelopen letters, twee om precies te zijn. Zachtjes streek ze er overheen.

Gefeliciteerd met je zesendertigste verjaardag, liefste. Op naar de veertig! Sorry, ik moest het toch even zeggen, haha. Je weet dat ik normaal heel slecht ben in verrassingen, maar deze keer is het me gelukt! Ik weet zeker dat je heel blij zult zijn met dit speciale cadeau. Ik hou van je, nu en voor altijd. Kusjes overal, Maurice.

Anne drukte de kaart tegen haar hart, zocht naar zijn ogen, zijn liefdevolle blik. Haar woorden waren niet meer dan een fluistering, toen ze hem bedankte. Ze had werkelijk geen idee wat hij voor haar had gekocht, maar wel dat hij het met liefde voor haar had uitgezocht. Nu was het tijd om het uit te pakken, vond ze.
Ze nam het cadeau in haar handen, bekeek het onderzoekend van alle kanten en schudde het zachtjes heen en weer, voordat ze het op haar schoot zette. Haar vingers gleden over het rode lint. Rood, van de liefde, dacht ze en alsof ze zich gebrand had, zette ze het cadeau vlug terug op tafel.
‘Ik wacht nog even,’ zei ze zacht zonder naar hem te kijken en ze stak haar mes in de croissant. Stukjes bladerdeeg sprongen omhoog en vielen naast haar bord op het tafelkleed.
Het was nog steeds hetzelfde katoenen tafelkleed, beige met een donkerbruin streepje. Ze hadden het jaren geleden samen uitgezocht, al zag Maurice er het nut niet zo van in. Hij had liever placemats. Dat vond hij makkelijker. Daar kon gewoon een doekje overheen, maar zij vond een tafelkleed gezelliger, huiselijker.
Het geluid van de klok in de woonkamer verbrak de stilte. Ze kromp ineen en telde elf slagen.
De knokkels van haar hand werden wit, het mes trilde. Plotseling werd ze misselijk.
Ze hoorde weer die doffe klap gevolgd door het geluid van brekend servies op de tegelvloer.
Tranen trokken sporen over haar wangen en spatte op de kaart uiteen.
Geschrokken pakte ze een servet en depte haar verdriet weg. Nog een uitgelopen letter erbij…
‘Anne? Ik heb aangebeld, maar je deed niet open.’
Het viel Anne op hoe warm de hand van haar moeder was, die op haar schouder rustte, maar misschien was zij wel gewoon heel koud, ze wist het niet, maar het bracht haar terug naar nu.
‘Gefeliciteerd schat.’
‘Dankjewel mam.’
Er volgde een korte stilte.
Anne pakte de fotolijst, drukte er zacht een kus op en zette het samen met het cadeau naast het brandende kaarsje op de kast.
‘Pak je het niet uit?’ vroeg haar moeder.
Ze schudde haar hoofd. ‘Nee, misschien volgend jaar, als ik veertig word.’

Copyright: S.van Deudekom

De heks die halloween vierde

OPDRACHT 5 beeldverhaal

Kijk, dit is één van mijn favoriete foto’s. Hij is gemaakt op Halloween, een paar jaar geleden. Ik vloog in mijn ruimteschip door de lucht. Nu zullen jullie je waarschijnlijk meteen afvragen: wat doet zo’n oude heks als jij in een ruimteschip, heksen vliegen toch op bezems?
Tja, ik mag dan wel een heks van de oude stempel zijn, maar heb je ooit wel eens op een bezem gezeten? Het is niet bepaald comfortabel hoor, zo’n harde stok tussen je billen. Nee, wij moderne heksen vliegen al tijden niet meer op bezems en jullie mensen maar denken dat de wereld bezocht wordt door buitenaardse wezens.
Afijn, het was een donkere en gure nacht, perfect voor het jaarlijkse horrorfeest. Normaal gesproken laten wij heksen onszelf niet vaak meer zien, maar op Halloween komen we tevoorschijn en doen we wat we het allerleukste vinden, jullie de stuipen op het lijf jagen.
Persoonlijk vind ik er geen ruk meer aan. Heksen zijn uit de mode. Niemand schrikt nog van ons. Jullie zien zoveel horrorachtige verhalen op de televisie dat een simpele oude heks zoals ik nou niet bepaald angstaanjagend meer is. Nee, pas als jullie denken allemaal afgeslacht te worden door een of andere psychopaat beginnen jullie echt te zweten. Misschien omdat dat te dicht bij de realiteit komt, tenslotte is de wereld best gewelddadig. Er lopen een hoop gekken rond. Maar goed, het had geen zin om als mezelf te verschijnen. Normaal draag ik een lange donkerpaarse jurk en zo’n hoge puntige muts en als ik geen last heb van overtollig eelt of likdoorns trek ik ook mijn zwarte puntschoenen met hakken aan. Ik mag dan oud zijn, ik mag er graag nog vrouwelijk uit zien. Ik verruilde mijn outfit voor een oude stoffige mantel met capuchon en bruine platte instappers, ik was net Magere Hein, niet bepaald elegant, maar het zat best lekker. Om indruk te maken, had ik wapens nodig. Nu ben ik in principe tegen het gebruik van wapens dus het enige wat ik in mijn ruimteschip had liggen, waren mijn toverzeisen. Twaalf stuks maar liefst en laat Magere Hein nu altijd een zeis op zak hebben!
Waar ik die dingen normaal voor gebruik? Die heb ik nodig om mijn hobby te kunnen uitoefenen. Met die toverzeisen maak ik de meest prachtige en complexe landschilderijen. Ik heb er al een heleboel prijzen mee gewonnen tot frustratie van mijn gezusters, die af en toe groen zien van jaloezie, want niet veel van hen kunnen mij evenaren. Zodra mijn toverzeisen in de buurt komen van graan, slaat het plat en zo maak ik de mooiste creaties.
Graancirkels noemen jullie ze, gemaakt door buitenaards leven … niet dus.
Die avond hadden ze in ieder geval een ander doel, mijn zeisen moesten een voorbode lijken van bloederige taferelen en de dood MWUAHAHA.
Ik speurde met mijn supersonische camera naar de perfecte slachtoffers en al gauw ontdekte ik een boerengat waar de mensen helemaal niet bezig waren met Halloween. Sterker nog, er gebeurde daar helemaal niets! Perfect! Ik schoot een paar keer met mijn ruimteschip over de boerderijen heen. Koeien begonnen te loeien, schapen begonnen te blaten, kippen kakelden en honden sloegen aan. Mensen kwamen naar buiten om te onderzoeken wat er in hemelsnaam aan de hand was. Ze tuurden naar boven en toen ik landde, stonden ze verstijfd met open mond naar mijn ruimteschip te staren, waarschijnlijk bang om ontvoerd te worden.
Ik pakte een ladder, wat even duurde want hij is nogal zwaar en mijn rug is niet meer wat hij geweest is. Zodra ze mij zagen, puilden hun ogen zowat uit hun kop en toen mijn toverzeisen dreigend door de lucht vlogen, lieten ze zich smekend op de grond vallen. Ik kon alleen maar lachen, o o wat had ik een pret.
De volgende dag stond het in alle kranten: BUITENAARDSE WEZENS VIEREN OOK HALLOWEEN.

Copyright: S. van Deudekom

De handschoenen

Tijdverspilling. Meer was het niet geweest. Hij had net zo goed thuis kunnen blijven. Dan had hij nu ook niet naar het stomme geklets hoeven luisteren. Wat een ellende. Hij was blij dat hij geen meisje was. Dat eeuwige gezwets over mode, make-up en kapsels, bah!
Hij was er mooi ingetrapt. Het had zo leuk geleken, dat winkelen, maar wat hij wilde hebben, had hij dus niet gekregen. Hij had alleen een spijkerbroek gekregen, in tegenstelling tot zijn zus die een nieuwe winterjas, lederen handschoenen en een sjaal had gescoord. Hij wilde geen eens een spijkerbroek. Hij hád een spijkerbroek. Wat kon hem het schelen dat de onderkant van de pijpen rafelde en er kale plekken op zijn knieën verschenen. Dat interesseerde hem geen donder. Die pet wel. Die had hij willen hebben.
Hij hoorde zijn zus zeggen dat ze naar het toilet moest. Ook al zo iets. Meisjes moesten altijd plassen. Nu moesten ze ook nog stoppen! Hij wilde gewoon naar huis!
Zijn moeder reed een straatje in en parkeerde de auto in een parkeerhaven vlak bij de ingang van een pizzeria. Hij keek naar het neon bordje met ‘OPEN’ in blauw-rood verlichte letters. Een oude vrouw zat bij het raam. Ze zat ineengedoken alsof ze niet gezien wilde worden. Verveeld wierp hij een blik op zijn moeder die in haar handtas rommelde.
‘Weet je het zeker?’ hoorde hij haar vragen.
‘Ja, ik voel het toch. Straks ben ik doorgelekt!’
Gadver! dacht hij. Teveel informatie!
‘Zo snel lek je niet door,’ antwoordde zijn moeder terwijl ze haar een tampon gaf. Zijn zus opende het portier. De koude wind blies naar binnen. Ze stond op en sjorde ongemakkelijk aan haar trui. ‘Zie je iets?’
Hij zuchtte. Zijn moeder stelde haar gerust en zei dat ze op moest schieten.
‘Mag ik een pizza?’ vroeg hij.
‘Nee, we gaan over een uur eten.’
‘Jezus, ik mag ook niks.’
‘Gaat dit nog steeds over die pet?’
Hij negeerde haar en keek weer naar buiten. De oude vrouw in de pizzeria zat nu met haar hoofd tegen het raam geleund. Ze had lange grijze haren. Ze zag dat hij naar haar keek. Ze lachte. Hij zag dat ze een paar tanden miste. Het leek wel een oude heks. Snel wendde hij zijn blik af.
‘Ik heb het geld niet op mijn rug groeien,’ ging zijn moeder verder.
‘Sonja krijgt wel wat ze hebben wil.’
Ze draaide zich om. ‘Sonja heeft gekregen wat ze nódig had. Haar winterjas is versleten.’
‘Ik heb een pet nodig!’ snauwde hij.
‘Dat heb je niet, je hebt al een pet.’
Hij snoof. ‘Ja, dat stomme ding.’
‘Je vindt het een stom ding omdat het geen merk heeft, maar ik ga geen zestig euro betalen voor een pet. Dan koop je hem maar van je zakgeld, en nu wil ik er niks meer over horen.’ Ze ging weer recht zitten.
Hij zag de oude vrouw naar buiten komen, gevolgd door zijn zus. De vrouw droeg een lange donkergrijze jas met daaronder sokken in sandalen. Ze draaide zich om en hield haar hand op. Zijn zus schudde haar hoofd.
‘Ik ben zo blij met mijn nieuwe jas,’ zei ze toen ze instapte.
Al snel waren de twee weer verwikkeld in een typisch vrouwengesprek.
Hij keek opzij naar de grote plastic tas, de nieuwe handschoenen staken uit de opening. Hij draaide zijn raam een stukje naar beneden en wierp een blik op zijn moeder en zus. Geen van beide merkten waar hij mee bezig was. Tevreden zakte hij een ogenblik later weer onderuit.

De oude vrouw stak met gebogen hoofd de weg over. Ze was boos. Ze hadden haar weggestuurd en het was koud buiten. Haar blik viel op de handschoenen die midden op straat lagen. Haar gezicht begon te stralen. Wat een geluk!

Copyright: S. van Deudekom