• Sabine

    Sabine

    Schrijft, publiceerde 'Reflections of a brainjoshed mind', fantaseert en droomt, leest veel, fotografeert, Josh Groban fan, is gek op haar hondjes en schaapjes, houdt van de natuur, vindt sushi overheerlijk en mams kip het allerlekkerst.

    Bekijk volledige profiel →

  • Gepubliceerd

  • Voer je emailadres in en ontvang een mail als er een nieuw bericht op mijn website wordt geplaats

    Doe mee met 641 andere volgers

Een vogel voor de kat deel veertien

Een vogel voor de kat

Heb je deel dertien al gelezen of wil je bij het begin beginnen?

 Ze liepen in snel tempo door het hoge gras, schouder aan schouder, verscholen onder de paraplu.
‘Wat zei Paula nu precies?’
‘Dat er twee politieagenten voor de deur stonden die naar de ouders van Jeffrey Verbeek vroegen.’
‘Wat heeft die jongen nu weer op zijn kerfstok,’ mopperde Onno.
Fred hield abrupt stil.
‘Wat is er?’ vroeg Onno.
‘Ik denk dat je je moet voorbereiden op slecht nieuws.’
‘Wat bedoel je?’
Zwijgend keek Fred hem aan.
Onno schudde zijn hoofd. ‘Nee, dat geloof ik niet.’
‘Ik hoop het niet, maar het klinkt niet best.’
‘O god, je hebt gelijk…ik moet naar huis.’ Hij begon te rennen.
‘Ik breng je naar huis, we halen jouw auto later wel op!’ riep Fred.
Onno voelde zijn hart steeds harder en sneller bonzen. Zijn buik deed zeer. Zweet en regendruppels prikten in zijn ogen. Op de parkeerplaats boog hij zich naar voren en proestte het een paar keer uit.
‘Het is beter dat je nu niet rijdt! Je bent overstuur!’ hijgde Fred toen hij naast hem verscheen.
Met gemengde gevoelens stapte Onno bij hem in.
‘Ik snap dat je nu niet op mijn aanwezigheid zit te wachten,’ zei Fred toen hij de auto startte en de parkeerplaats afreed. ‘Ik zet je thuis af en dan rij ik met Paula meteen door naar huis, dat beloof ik.’
‘Weet Paula het?’
‘Nee, nog niet.’
‘Dan moeten we dat zo laten.’ Hij pakte een zakdoek uit zijn broekzak en veegde daarmee zijn gezicht droog.
‘Meen je dat?’
‘Het geeft alleen maar narigheid en verdriet.’ Hij keek opzij. ‘Of je moet het haar graag willen vertellen?’
Fred schudde kort zijn hoofd. ‘Nee, liever niet natuurlijk.’
‘Dat dacht ik wel.’

Voor de deur stond een politieauto, daarachter de auto van Joris.
Fred zette de motor uit.
Onno verroerde zich niet. Minuten gingen voorbij.
‘Stap je nog uit?’
‘Ik durf niet.’
‘Je moet. Je gezin heeft je nodig.’
‘Is dat zo?’
‘Ja, dat is zo! Kom, ik loop met je mee.’ Hij opende zijn portier.
Onno greep zijn arm vast. ‘Ik ben vanmorgen bij Jeffrey geweest.’
‘Wat?’
‘Ik wilde met hem praten over het steekincident in de hoop iets van berouw te zien.’
‘En?’
‘Niks, hij toonde geen enkel berouw.’
‘Dat spijt me.’
‘Ik heb tegen hem gezegd dat we hem voorlopig niet meer willen zien.’
‘Dat is een logische reactie.’
‘Ik heb hem misschien wel de dood ingejaagd Fred!’
‘Natuurlijk niet!’
‘Jawel, ik heb hem mijn rug toegekeerd en nu…’
‘Stop! Ik had helemaal niets moeten zeggen, misschien heb ik het helemaal mis en valt het allemaal wel mee.’
Onno wees met een trillende vinger naar het huis. Je hoefde immers geen helderziende te zijn om te weten dat hij waarschijnlijk gelijk had. Politieagenten wachtten niet zomaar op de man des huizes, en dan de auto van Joris. Marie had hem vast gebeld en dat deed ze niet zonder reden. Hier was iets verschrikkelijks aan de hand.

Met iedere stap die hem dichter naar de deur van de woonkamer bracht waarachter het onheil op hem wachtte, werden zijn voeten zwaarder. Hij hoorde stemmen, onbekende stemmen, zacht bijna fluisterend. Iemand snoot zijn of haar neus. In de keuken liep de kraan. Hij duwde de deur open en keek naar binnen. Hij hield zijn adem in, maakte geen geluid. Marie zat op de bank. Joris zat dicht naast haar en hield haar handen vast. Aan tafel zaten twee agenten. Ze dronken koffie. Niemand merkte hem op. Hij hoopte dat dit moment eeuwig zou duren. Nu was hij nog gewoon Onno, getrouwd met Marie, vader van drie kinderen: Joris een gedreven succesvolle advocaat, Louise een eigenzinnige creatieve fotografe en Jeffrey die de weg een beetje kwijt was. Maar dat kwam goed. Hij zou ervoor zorgen dat het goed kwam.
Naast hem schraapte Fred zijn keel.
Alle gezichten draaiden hun kant op.
De agenten kwamen uit hun stoel omhoog.
Hij knikte hen toe.
‘Bent u de vader van Jeffrey Verbeek?’
Hij keek naar Fred en toen naar Marie en zag haar mooie blauwe ogen vollopen met tranen. Een wanhopige snik ontsnapte aan haar keel.
‘Ja, ik ben de vader van Jeffrey,’ antwoordde hij met hese stem.
‘Fijn dat u zo snel naar huis kon komen, gaat u even zitten alstublieft.’
Hij kon zich niet bewegen.
‘Meneer Verbeek?’
Fred pakte hem bij zijn elleboog en stuurde hem zachtjes in de richting van de bank waar Joris plaats voor hem maakte. De agenten namen tegenover hen plaats. Eén van hen nam het woord.
‘Meneer Verbeek, het spijt ons enorm dat wij u dit verdrietige nieuws moeten brengen. Uw zoon is het slachtoffer geworden van een verkeersongeval. Hij heeft het niet overleefd. Hij is ter plaatse overleden aan zijn verwondingen.’
Marie slaakte een hartverscheurende kreet.
Onno staarde de agenten wezenloos aan.
‘Wat is er precies gebeurd?’
‘Uw zoon zat achter het stuur, mogelijk onder invloed, maar dit moet het onderzoek uiteraard nog uitwijzen. Ooggetuigen hebben de auto in ieder geval over de weg zien slingeren en tegen een boom tot stilstand zien komen. Uw zoon was op slag dood. Zijn vriendin is uit de auto geslingerd. Zij én haar ongeboren kind zijn buiten levensgevaar. Er waren geen andere voertuigen bij betrokken.’
Hij voelde hoe Marie zijn arm stevig beetpakte.
‘Zijn vriendin zegt u?’
‘Ik heb van uw vrouw begrepen dat u beide niet op de hoogte was van zijn relatie?’
‘Nee, weet u dit wel zeker?’
De agent knikte.
‘En ze draagt zijn kind?’ vroeg Onno.
‘Ja, ze is vijf maanden zwanger.’

Een vogel voor de kat deel dertien

Een vogel voor de kat

Heb je deel twaalf al gelezen of wil je bij het begin beginnen?

Het werd frisser en aan het licht te zien dat door de rechthoekige gaten van de uitkijkhut naar binnen viel, begon het weer te betrekken. Onno ritste zijn jas tot bovenaan dicht en trok zijn schouders op. Hij kwam hier regelmatig, maar nooit met een andere reden dan vogels te bekijken en nooit zonder zijn verrekijker. Sinds hij de hut in was geklommen had hij nog geen blik naar buiten geworpen. Voor zijn gevoel zat hij al uren tegen de houten binnenwanden aan te kijken. Het was een warboel in zijn hoofd. Hij probeerde alles op een rijtje te krijgen, maar zijn gedachten buitelden non-stop over elkaar heen. Hij kon het allemaal niet meer bevatten. Hij had zich altijd de gelukkigste man ter wereld gevoeld met Marie aan zijn zijde, maar nu bleek dat ze hem had bedrogen en hij had helemaal niets gemerkt! Hoe had hij nu niets kunnen merken! Had hij een aandeel in dit drama? Hij had altijd een drukke baan gehad en soms had dat een tol van hem geëist, waardoor hij minder tijd had gehad voor zijn gezin. Had hij haar tekort gedaan? Haar liefde als vanzelfsprekend beschouwd?
Hij begreep nu waarom ze zulke wisselende buien had gehad toen ze zwanger was van Jeffrey en ook nog een hele poos daarna. Hij had het altijd gewijd aan haar hormoonhuishouding en de moeizame zwangerschap , maar het was natuurlijk wroeging geweest. De opvoeding van Jeffrey was voor haar ook moeilijker geweest dan de opvoeding van de andere kinderen. Dat had dus helemaal niets te maken met haar leeftijd of het feit dat Jeffrey een nakomertje was geweest. Hij vroeg zich af of Jeffrey het als kind ooit had gemerkt en of dit van invloed was geweest op het verloop van zijn jonge leven. Hij liet zuchtend zijn hoofd naar beneneden hangen. Boven zijn hoofd klonk het geroffel van regendruppels op het dak, eerst zachtjes, toen steeds harder. Het geluid overstemde zijn eigen gejammer. Tranen stroomden over zijn wangen, druppels liepen uit zijn neus. Hij veegde ze weg met de mouw van zijn jas.
‘Onno.’
De bekende stem deed zijn lichaam verstarren.
‘Ik heb je overal gezocht.’
‘Je hebt me gevonden,’ antwoordde hij kil. ‘Nu kun je weer gaan.’
Fred schudde zijn paraplu uit en zette hem tegen één van de wanden. ‘Ik wil met je praten.’
Onno keek zijn vriend vernietigend aan. ‘Ik wil niet met jou praten.’
‘Laat me uitleggen wat er is gebeurd.’
‘Ik wéét wat er is gebeurd. Je hebt met mijn vrouw geslapen! Jullie hebben me allebei bedrogen en het jarenlang voor me verzwegen! Ik heb je niets te zeggen, ik wil dat je opsodemietert! Verdwijn uit mijn ogen!’
‘Nee!’
Onno sprong overeind, greep Fred bij zijn kraag en duwde hem een hoek in.
‘Sla me maar, ik heb het verdiend!’
Snuivend liet hij hem los. ‘Je bent het niet waard.’
Fred streek zijn jas glad. ‘Er is geen excuus voor wat ik heb gedaan. Ik vraag niet om vergeving. Ik vraag je enkel naar me te luisteren, omdat ik wil dat je weet dat er nooit meer is geweest tussen Marie en mij dan dat ene moment die bewuste nacht en omdat je moet weten hoe dat moment tot stand is gekomen. Dat het voor geen van ons beiden een bewuste keuze is geweest.’
Zwijgend liet Onno zich weer op de houten bank zakken.
‘Het was de avond dat Alice weer onverwachts opgenomen werd in het ziekenhuis,’ begon Fred. ‘Jij was er niet. Je was een paar dagen weg voor je werk. Kun je je dat nog herinneren?’
Toen Onno niet antwoordde ging hij verder: ‘Marie kwam naar het ziekenhuis om me te steunen. Ik zat er helemaal doorheen. Ik wist niet of ik het nog langer vol hield. Ziekenhuis in, ziekenhuis uit. Ik zag Alice steeds verder aftakelen en ik kon niets doen. Ik was boos en verdrietig. Na urenlang wachten zeiden de artsen dat ik beter naar huis kon gaan om te rusten. Marie bood me thuis een borreltje aan om een beetje tot rust te komen, maar het werden er meer dan één.’
Onno mompelde iets onverstaanbaars.
Fred negeerde hem. ‘Ik hield ontzettend veel van Alice, maar ze was niet meer de vrouw waar ik mee getrouwd was. Ik miste de passie tussen ons, seks hadden we al jaren niet meer. Alice wist dat ik daar steeds meer moeite mee had. Ze heeft zelfs gezegd dat ze het wel begreep als ik naar een prostituee zou gaan, maar seks zonder enige vorm van liefde of genegenheid was niets voor mij. Ik moest huilen toen ik dit die avond aan Marie vertelde. Ze nam me in haar armen en troostte me. Ik weet niet wat er gebeurde, maar…’
‘Ja, ho maar! Ik hoef het niet te horen.’
‘Net toen we onze kleding weer gefatsoeneerd hadden, stond Joris ineens beneden in de woonkamer.’
‘Wat? Heeft Joris jullie gezien!” riep Onno ontzet uit.
Fred schudde snel zijn hoofd. ‘Ik denk niet dat hij iets gemerkt heeft, maar we waren meteen ontnuchterd. Marie gooide me praktisch de deur uit en we hebben er niet meer over gesproken totdat ze ontdekte dat ze in verwachting was. Ze was in alle staten en heeft meerdere keren op het punt gestaan het je te vertellen. Ik heb haar daar steeds van weten te weerhouden. Ik wilde voorkomen dat Alice het te weten zou komen. Het ging alleen maar slechter met haar, ze had niet veel tijd meer. Ik wilde haar geen verdriet doen aan het einde van haar leven.’
‘Daar had je eerder bij stil moeten staan.’
‘Ja, dat weet ik.’
Onno stond op en tuurde door één van de kijkgaten naar buiten.
‘Onno, ik heb altijd traag zaad gehad, dat weet je,’ zei Fred. ‘Daarom ben ik nooit vader geworden. De kans dat Jeffrey mijn zoon is, is dus bijna nihil.’
Onno draaide zich met een ruk om. ‘En dat maakt wat jullie gedaan hebben minder erg?’
Er klonk een aanhoudend gezoem. Fred haalde zijn mobiele telefoon uit zijn zak en keek op het schermpje. Hij fronste zijn wenkbrauwen en nam op.
‘Paula?…ja…wat bedoel je…jezus…ja natuurlijk, we komen er meteen aan.’
Onno keek hem vragend aan.
‘Dat was Paula. Ze is bij Marie. Er is politie.’
‘Politie?’ Onno schudde verward zijn hoofd.
Fred duwde Onno naar de uitgang van de uitkijkhut. ‘Het gaat om Jeffrey.’

Een vogel voor de kat deel twaalf

Een vogel voor de kat

Heb je deel elf al gelezen of wil je beginnen bij het begin?

De bus reed van halte naar halte. Het maakte hem moe. Hij wilde zijn ogen sluiten, zich overgeven aan een diepe, zorgeloze slaap om even niet meer te hoeven nadenken en even niet meer te hoeven voelen. Hij was verdrietig om zijn zoon. Jeffrey leefde in een andere wereld, dat besefte hij nu. De alcohol en drugs hadden een gevoelloos persoon van hem gemaakt.
Hij keek door het raam naar buiten, zag de vrouw met het kind achterop de fiets, de jongen op de blauwe scooter voor het rode licht en de drie schoffelende plantsoenmedewerkers op de rotonde. Zijn ogen registreerden alles maar het ging in een waas aan hem voorbij.
Hij had het helemaal verkeerd aangepakt. Hij had al veel eerder strenger moeten optreden, geen grote mond of agressie moeten tolereren. Zéker niet onder zijn eigen dak. Hij had hem ook geen geld moeten geven al die keren dat hij daarom had gevraagd…het had geëist. Hij had zich laten intimideren door zijn eigen zoon en had daarmee diens verslaving gefinancierd. Nee. Het was een simpel drie letterig woord. Nee, je krijgt geen geld. Dat had hij moeten zeggen. Wat was hij voor een vader! Wat was hij voor een lafaard! Zuchtend schudde hij zijn hoofd en wreef over zijn gezicht. Hij was naïef. Marie had helemaal gelijk, en zij wist niet eens alles, want hoe vaak had hij niet iets voor haar verzwegen. Sommige situaties had hij haar gewoon willen besparen, er vloeiden tenslotte al genoeg tranen. Hij wist ook niet of hij haar zal vertellen over zijn bezoek aan Jeffrey. Wat had het voor zin. Hij had toch niets positiefs te melden en dat was wel wat Marie nodig had, iets positiefs. Dat hadden ze allebei hard nodig. Het werd tijd om die reis te gaan boeken, geen uitstel meer. Hij drukte op het knopje. Voor in de bus lichtte het woordje ‘STOP’ rood op. Hij kwam overeind en bewoog zich alvast richting de deur. Genieten, dacht hij, dat gingen ze doen.

Thuisgekomen keek hij eerst in de spiegel. Hij volgde met zijn wijsvinger de rimpels in zijn voorhoofd en trok zijn mondhoeken omhoog tot een geforceerde glimlach. Het verdriet was al bijna van zijn gezicht verdwenen, verborgen achter een masker. Zuchtend liep hij naar de woonkamer. Het was stil in huis. Hij vermoedde dat Marie even op bed was gaan liggen. Hij besloot haar te verrassen, pakte het dienblad uit de kast, zette het koffiezetapparaat aan en haalde brood uit de broodtrommel. Hij sneed een trostomaat en een stuk komkommer in schijfjes, schaafde plakjes belegen kaas en haalde een paar plakken boerenham uit de verpakking waarmee hij de sandwiches royaal belegde en ze vervolgens diagonaal doorsneed. Daarna liep hij naar de woonkamer om de stapel vakantiefolders te pakken zodat ze samen een hotel konden uitkiezen en vanmiddag nog iets bij het reisbureau konden boeken. Hij glimlachte bij de gedachte. Voorzichtig liep hij met het dienblad naar boven. Halverwege de trap hoorde hij haar praten. De slaapkamerdeur stond op een kier. Hij zag Marie op de rand van het bed zitten. Ze was aan het telefoneren. De toon in haar stem weerhield hem ervan om naar binnen te gaan.
‘Nee, dat kan ik niet,’ hoorde hij haar zeggen en na een korte stilte: ‘dat denk ik niet. Ik zou het ook niet begrijpen als ik hem was.’ Ze stond op, keek even door het raam naar buiten en ging toen weer zitten. ‘Daar is het nu te laat voor,’ zei ze hoofdschuddend.
Hij vroeg zich af wie ze aan de telefoon had, hij kon haar woorden niet plaatsen.
‘Dat is het wel en dat weet je!’ klonk het geagiteerd.
Het dienblad in zijn handen werd steeds zwaarder.
‘Ja, maar niet onmogelijk,’ antwoordde Marie.
Hij schraapte zijn keel en duwde met zijn voet de deur open.
Geschrokken draaide Marie zich om en drukte de telefoon in het dekbed.
‘Wat doe jij nou?’ vroeg ze met rood aangelopen gezicht toen hij het dienblad op het bed neerzette.
‘Ik kom je verrassen.’
‘O…wat lief.’
‘Wie heb je aan de telefoon?’
Verward keek ze naar de telefoon in haar hand alsof ze het ding voor het eerst in haar leven zag. ‘O…dat was iemand van het boekenclubje.’ Haastig zette ze de telefoon op het laadstation en toverde een glimlach op haar gezicht. ‘Wat heb je gemaakt?’
‘Het klonk niet als iemand van het boekenclubje.’
‘Heb je staan luisteren?’ vroeg ze verwijtend.
‘Niet bewust, ik ving wat op.’
‘Nou, het was echt iemand van het boekenclubje en zo’n bijzonder gesprek was het niet.’ Ze tilde de bovenkant van één van de sandwiches een stukje op. ‘Dat ziet er lekker uit.’
‘Marie.’
Ze keek op.
‘Je liegt.’
Ze ademde hoorbaar in en friemelde aan de zilveren ketting rond haar hals.
Hij liep om het bed heen, ging naast haar zitten en keek haar vragend aan.
Ze wendde haar blik af.
‘Marie toe, waar ging dat gesprek over.’
‘Laat het rusten, alsjeblieft,’ bracht ze wanhopig uit.
‘Nee.’
Ze sloeg haar handen voor haar gezicht. ‘Ik kan het niet vertellen!’
Hij greep haar handen vast en trok ze naar beneden. ‘Dat is onzin! Je kunt me alles vertellen!’
Ze schudde wild haar hoofd.
Met een ruk kwam hij overeind en sloeg daarmee perongeluk het dienblad omver. ‘Verdomme Marie!’
‘Goed! Ik zal het je vertellen! Ik heb ons leven verpest!’
Hij slaakte een geërgerde zucht. ‘Wat is dat nu weer voor onzin!’
‘Het is geen onzin!’ Ze wees naar zijn buik.
‘Dat heeft Jeffrey gedaan, niet jij.’
‘Hij is mijn zoon.’
‘Hij is ónze zoon.’
‘Dat…weet ik niet.’
‘Dat weet je niet?’
Ze stond op en keek hem secondenlang zwijgend aan.
‘Marie?’
‘Het spijt me,’ zei ze bijna onhoorbaar. Tranen welden op in haar vertrouwde blauwe ogen.
Hij slikte moeizaam. ‘Wie was het.’
‘Dat doet er niet toe.’
Hij schudde haar door elkaar. ‘Ik wil het weten!’
‘Onno!’
Hij griste de telefoon van het oplaadstation. ‘Wie krijg ik aan de telefoon als ik op de herhaaltoets druk!’
‘Fred!’ Ze spuugde zijn naam uit.
Verbouwereerd liet hij de telefoon uit zijn handen vallen.
‘Het was Fred,’ zei ze nog eens huilend.
Verdwaasd keek hij naar de koffievlekken op het dekbed en de vloerbedekking. De koppen en het bord met de sandwiches lagen omgekeerd op de grond, gedeeltelijk bedekt met de vele vakantiefolders. Hij bukte zich en pakte één van de folders op.
‘Onno…het is maar één keer gebeurd, laat het me uitleggen…’
Hij draaide zich om en liep langzaam de kamer uit. Zachtjes trok hij de deur achter zich dicht.

Boswandeling

Hoog in de bomen
zingen tientallen vogels
het bos tot leven