Een vogel voor de kat deel vijftien

Een vogel voor de kat

Heb je deel veertien al gelezen of wil je bij het begin beginnen?

De dagen verstreken. Het waren lange, verdrietige dagen waarin hij weinig sprak, maar veel nadacht. Hij was vergeten hoeveel dierbare momenten hij eigenlijk samen met zijn jongste zoon had gehad. Nu Jeffrey overleden was, kwamen alle herinneringen aan die fijne momenten weer naar boven. De ellende van de afgelopen jaren leek naar de achtergrond te zijn verdwenen. Het maakte het verlies des te zwaarder. Hij was zijn zoon kwijt, niets kon dat veranderen.
Marie was compleet ontredderd. In haar ogen was alles wat er mis gegaan was in het leven van hun zoon haar schuld, inclusief het ongeluk. Dat was natuurlijk onzin, maar ze had het boetekleed aangetrokken en bleef zich maar verontschuldigen. Hij kon niet meer dan haar gerust stellen en troosten. Ze had inderdaad een fout gemaakt, een pijnlijke onvergetelijke fout, maar verder wilde hij het hele onderwerp liever laten rusten. Hij kon alleen maar hopen dat Marie zichzelf ooit zou kunnen vergeven. De situatie was immers al triest genoeg.
Twee dagen geleden hadden ze Jeffrey begraven. Het was een simpele, maar mooie dienst geweest. Hij had zich verbaasd over de hoeveelheid mensen die bij de dienst aanwezig waren. Vreemden van wie ze het bestaan niet eens hadden geweten, hadden hun medeleven getoond. Vandaag zouden ze zijn vriendin voor het eerst ontmoeten. Haar naam was Helen. Had hij hen maar over haar verteld en haar mee naar huis genomen. Hij begreep niet waarom hij dat niet had gedaan. Het viel hem zwaar haar nu op deze manier te moeten leren kennen.
Gespannen staarde hij naar de dichte deur. De verpleegster kon ieder moment naar buiten komen. Louise en Marie zaten stilzwijgend naast hem, beiden in gedachten verzonken, net als hij.
Toen de deur open ging, veerden ze alle drie omhoog.
‘Gaat u maar naar binnen,’ zei de verpleegster vriendelijk.
Onno zuchtte diep. Hij liep achter Marie en Louise aan naar binnen en observeerde de jonge vrouw, die rechtop in het ziekenhuisbed zat. Haar rechteroor en een deel van haar voorhoofd waren bedekt met verband en pleisters, haar kin zat vol donkere korsten en haar linkerarm zat in een mitella. Ondanks de verwondingen op haar gezicht, zag ze er met haar lange donkere krullen en grote bruine ogen, liefelijk uit. Het paste totaal niet bij het beeld dat hij zich op basis van haar stem gevormd had, die morgen dat hij Jeffrey had bezocht. Zijn ogen werden naar de plek getrokken waar het witte laken de bolling van haar buik verraadde.
Louise verbrak de ongemakkelijke stilte. ‘Ik ben Louise, de zus van Jeffrey.’
Marie deed een stap dichterbij. ‘Ik ben zijn moeder, Marie.’
Zacht herhaalde de vrouw haar naam.
Hij schraapte zijn keel. ‘Ik ben Onno, zijn vader.’
Ze knipperde haar tranen weg.‘Het spijt me zo dat we elkaar onder deze omstandigheden leren kennen. Ik ben Helen.’
Marie onderdrukte een snik, grabbelde zenuwachtig in haar handtas en haalde er een zakdoek uit die ze tegen haar ogen drukte.
‘Waren jullie al lang samen?’ vroeg Onno.
‘We leerden elkaar ruim anderhalf jaar geleden kennen op een bijeenkomst voor verslaafden.’
Onno keek haar verbaasd aan. ‘We wisten niet dat hij…’
‘Hij wilde het niet vertellen,’ onderbrak ze hem. ‘Hij was bang om te falen, bang dat het verwachtingen zou scheppen die hij niet kon waarmaken. Hij wilde jullie niet teleurstellen. Hij wilde het pas vertellen als hij zijn verslaving onder controle had, en geloof me, hij heeft het echt geprobeerd. Er waren dagen, soms zelfs weken dat hij niet gebruikte, maar hij hield het nooit vol.’
‘En jij?’ vroeg Louise.
‘Mij is het wel gelukt. Ik ben volgende week veertien maanden clean.’
Louise raakte haar arm aan. ‘Wat goed van je.’
‘Het blijft natuurlijk altijd een strijd. Het verlies van Jeff…’ Ze zweeg en legde haar hand op haar buik.
‘Heb je veel steun van je familie en vrienden?’
‘Ik heb door mijn drugsverleden niet zoveel echte vrienden overgehouden en met mijn familie heb ik lang geleden al gebroken. Jeff was mijn familie. Ik hoopte samen met hem een hecht gezin te gaan vormen, maar ik was bang voor zijn verslaving en wat het met hem deed, wat het met ons deed. Een maand geleden heb ik hem gevraagd, nee gesmeekt, om zich te laten helpen in een kliniek, maar dat weigerde hij. Hij zei dat hij gek zou worden als hij zo lang van ons gescheiden moest zijn.’ Ze veegde met een snelle beweging haar tranen weg. ‘Ik werd zo boos. Hij durfde gewoon niet. Hij gebruikte ons als reden om het gevecht met zijn verslaving niet aan te hoeven gaan. Ik vond hem een lafaard!’ Ze sloeg haar blik neer. Haar onderlip begon te trillen. ‘Toen heb ik iets vreselijks gedaan,’ zei ze en ze verborg haar gezicht in haar handen.
Instinctief streek Marie troostend over haar schouder.
Na een paar minuten keek Helen naar haar op.
‘Wat heb je gedaan?’ vroeg Marie zacht.
‘Ik heb gezegd dat het zijn kind niet was,’ snikte ze, ‘en toen ben ik weggegaan.’
Onno liet zijn hoofd en schouders hangen. Hij wist als geen ander hoe zijn zoon zich gevoeld moest hebben bij het horen van deze woorden.
‘De volgende dag ging Jeff gruwelijk de fout in.’
Hij hief zijn hoofd op.
Helen ving zijn blik.
‘Het steekincident?’
Ze knikte.
Marie greep Onno vast.
‘Het spijt me zo,’ fluisterde Helen.
Onno schudde zijn hoofd. ‘Je kon niet weten dat dat zou gebeuren.’
‘Ik wist wat het met hem zou doen. Ik heb hem bewust pijn gedaan. Ik ontnam hem datgene wat het allerbelangrijkste voor hem was, onze liefde en ons kind. Dat had ik nooit mogen doen. Ik wilde het allemaal rechtzetten, maar toen was het al te laat. Ik voelde me zo schuldig. Ik durfde hem niet te vertellen dat ik had gelogen.’
‘Maar jullie zaten wel samen in die auto,’ zei Louise.
Helen knikte. ‘Ik hoorde via een kennis dat hij weer contact had met iemand uit zijn verleden, een vrouw. Dat deed zoveel pijn. Ik wilde alles vergeten, niets meer voelen. Ik verlangde naar mijn drugs. Toen heb ik hem gebeld. Ik had hem zo hard nodig. Hij kwam meteen naar me toe. Ik heb al mijn moed verzameld en hem alles verteld. Ik dacht dat hij woest zou zijn en het me nooit zou vergeven, maar hij sloeg alleen maar zijn armen om me heen. Hij zei dat dit het gelukkigste moment van zijn leven was en dat hij er álles aan zou doen om van zijn verslaving af te komen. Ik zag in zijn ogen een vastberadenheid die ik nog niet eerder had gezien. Ik wist dat het allemaal goed zou komen en wilde meteen met hem mee naar huis.’
Onno slikte de brok in zijn keel weg en drukte Marie en Louise tegen zich aan.
‘Toen ik bijkwam in het ziekenhuis, kon ik me niets van het ongeluk zelf herinneren. Ik wist alleen nog dat we naar huis reden en dat ik me de gelukkigste vrouw ter wereld voelde. De doctoren konden me ook geen garantie geven of het ooit terug zou komen. De politie heeft me ondervraagd, maar ik kon hen geen informatie geven. Ze vertelden me dat ik geen gordel om had en daardoor uit de auto ben geslingerd. Dat begrijp ik nog steeds niet. Ik doe áltijd mijn gordel om.’ Ze wreef zachtjes over haar buik terwijl de tranen over haar wangen liepen. ‘Ik kan het nog steeds niet geloven dat hij dood is, dat ik hem nooit meer zal zien.Ik voel me zo alleen en incompleet zonder hem.’
Marie ging naast haar zitten en sloeg haar arm om haar heen.
Helen huilde met lange hartverscheurende uithalen.

Wordt vervolgd (deel zestien finale)

Een vogel voor de kat deel veertien

Een vogel voor de kat

Heb je deel dertien al gelezen of wil je bij het begin beginnen?

 Ze liepen in snel tempo door het hoge gras, schouder aan schouder, verscholen onder de paraplu.
‘Wat zei Paula nu precies?’
‘Dat er twee politieagenten voor de deur stonden die naar de ouders van Jeffrey Verbeek vroegen.’
‘Wat heeft die jongen nu weer op zijn kerfstok,’ mopperde Onno.
Fred hield abrupt stil.
‘Wat is er?’ vroeg Onno.
‘Ik denk dat je je moet voorbereiden op slecht nieuws.’
‘Wat bedoel je?’
Zwijgend keek Fred hem aan.
Onno schudde zijn hoofd. ‘Nee, dat geloof ik niet.’
‘Ik hoop het niet, maar het klinkt niet best.’
‘O god, je hebt gelijk…ik moet naar huis.’ Hij begon te rennen.
‘Ik breng je naar huis, we halen jouw auto later wel op!’ riep Fred.
Onno voelde zijn hart steeds harder en sneller bonzen. Zijn buik deed zeer. Zweet en regendruppels prikten in zijn ogen. Op de parkeerplaats boog hij zich naar voren en proestte het een paar keer uit.
‘Het is beter dat je nu niet rijdt! Je bent overstuur!’ hijgde Fred toen hij naast hem verscheen.
Met gemengde gevoelens stapte Onno bij hem in.
‘Ik snap dat je nu niet op mijn aanwezigheid zit te wachten,’ zei Fred toen hij de auto startte en de parkeerplaats afreed. ‘Ik zet je thuis af en dan rij ik met Paula meteen door naar huis, dat beloof ik.’
‘Weet Paula het?’
‘Nee, nog niet.’
‘Dan moeten we dat zo laten.’ Hij pakte een zakdoek uit zijn broekzak en veegde daarmee zijn gezicht droog.
‘Meen je dat?’
‘Het geeft alleen maar narigheid en verdriet.’ Hij keek opzij. ‘Of je moet het haar graag willen vertellen?’
Fred schudde kort zijn hoofd. ‘Nee, liever niet natuurlijk.’
‘Dat dacht ik wel.’

Voor de deur stond een politieauto, daarachter de auto van Joris.
Fred zette de motor uit.
Onno verroerde zich niet. Minuten gingen voorbij.
‘Stap je nog uit?’
‘Ik durf niet.’
‘Je moet. Je gezin heeft je nodig.’
‘Is dat zo?’
‘Ja, dat is zo! Kom, ik loop met je mee.’ Hij opende zijn portier.
Onno greep zijn arm vast. ‘Ik ben vanmorgen bij Jeffrey geweest.’
‘Wat?’
‘Ik wilde met hem praten over het steekincident in de hoop iets van berouw te zien.’
‘En?’
‘Niks, hij toonde geen enkel berouw.’
‘Dat spijt me.’
‘Ik heb tegen hem gezegd dat we hem voorlopig niet meer willen zien.’
‘Dat is een logische reactie.’
‘Ik heb hem misschien wel de dood ingejaagd Fred!’
‘Natuurlijk niet!’
‘Jawel, ik heb hem mijn rug toegekeerd en nu…’
‘Stop! Ik had helemaal niets moeten zeggen, misschien heb ik het helemaal mis en valt het allemaal wel mee.’
Onno wees met een trillende vinger naar het huis. Je hoefde immers geen helderziende te zijn om te weten dat hij waarschijnlijk gelijk had. Politieagenten wachtten niet zomaar op de man des huizes, en dan de auto van Joris. Marie had hem vast gebeld en dat deed ze niet zonder reden. Hier was iets verschrikkelijks aan de hand.

Met iedere stap die hem dichter naar de deur van de woonkamer bracht waarachter het onheil op hem wachtte, werden zijn voeten zwaarder. Hij hoorde stemmen, onbekende stemmen, zacht bijna fluisterend. Iemand snoot zijn of haar neus. In de keuken liep de kraan. Hij duwde de deur open en keek naar binnen. Hij hield zijn adem in, maakte geen geluid. Marie zat op de bank. Joris zat dicht naast haar en hield haar handen vast. Aan tafel zaten twee agenten. Ze dronken koffie. Niemand merkte hem op. Hij hoopte dat dit moment eeuwig zou duren. Nu was hij nog gewoon Onno, getrouwd met Marie, vader van drie kinderen: Joris een gedreven succesvolle advocaat, Louise een eigenzinnige creatieve fotografe en Jeffrey die de weg een beetje kwijt was. Maar dat kwam goed. Hij zou ervoor zorgen dat het goed kwam.
Naast hem schraapte Fred zijn keel.
Alle gezichten draaiden hun kant op.
De agenten kwamen uit hun stoel omhoog.
Hij knikte hen toe.
‘Bent u de vader van Jeffrey Verbeek?’
Hij keek naar Fred en toen naar Marie en zag haar mooie blauwe ogen vollopen met tranen. Een wanhopige snik ontsnapte aan haar keel.
‘Ja, ik ben de vader van Jeffrey,’ antwoordde hij met hese stem.
‘Fijn dat u zo snel naar huis kon komen, gaat u even zitten alstublieft.’
Hij kon zich niet bewegen.
‘Meneer Verbeek?’
Fred pakte hem bij zijn elleboog en stuurde hem zachtjes in de richting van de bank waar Joris plaats voor hem maakte. De agenten namen tegenover hen plaats. Eén van hen nam het woord.
‘Meneer Verbeek, het spijt ons enorm dat wij u dit verdrietige nieuws moeten brengen. Uw zoon is het slachtoffer geworden van een verkeersongeval. Hij heeft het niet overleefd. Hij is ter plaatse overleden aan zijn verwondingen.’
Marie slaakte een hartverscheurende kreet.
Onno staarde de agenten wezenloos aan.
‘Wat is er precies gebeurd?’
‘Uw zoon zat achter het stuur, mogelijk onder invloed, maar dit moet het onderzoek uiteraard nog uitwijzen. Ooggetuigen hebben de auto in ieder geval over de weg zien slingeren en tegen een boom tot stilstand zien komen. Uw zoon was op slag dood. Zijn vriendin is uit de auto geslingerd. Zij én haar ongeboren kind zijn buiten levensgevaar. Er waren geen andere voertuigen bij betrokken.’
Hij voelde hoe Marie zijn arm stevig beetpakte.
‘Zijn vriendin zegt u?’
‘Ik heb van uw vrouw begrepen dat u beide niet op de hoogte was van zijn relatie?’
‘Nee, weet u dit wel zeker?’
De agent knikte.
‘En ze draagt zijn kind?’ vroeg Onno.
‘Ja, ze is vijf maanden zwanger.’

Wordt vervolgd (deel vijftien)

Meneer Stroopwafel

DSC00036

Vandaag is het woensdag, de dag die ik zoals altijd begin met een wandeling door het park samen met mijn hond Rosie. Rondom mij hoor ik eikels uit de bomen vallen. Ze stuiteren op het pad. Sommige eikels kraken kapot onder mijn schoenen. Net zoals de vochtige grondachtige geur van paddenstoelen en afstervend blad, vertelt het mij dat de herfst is ingetreden.

Plotseling wordt mijn neus geprikkeld door een vleugje zoetigheid. Het is de geur van meneer Stroopwafel. Zo heet hij natuurlijk niet echt. Ik heb hem die naam gegeven omdat hij naar vers gebakken stroopwafels ruikt. Ik weet helemaal niets van de man, behalve dat hij net als ik iedere week op dezelfde dag op hetzelfde bankje in het park zit. We zeggen elkaar gedag als ik op het bankje ga zitten, maar we hebben verder nog nooit een praatje gemaakt. Ik weet niet goed waarom, maar ik vind hem een beetje raar. Rosie heeft echter totaal geen problemen met meneer Stroopwafel, ze raakt zelfs zoals altijd een beetje opgewonden bij het vooruitzicht hem weer te ontmoeten en ik vertrouw volledig op het oordeel van mijn trouwe viervoeter.

Ik groet meneer Stroopwafel, ga zitten en geniet van de warme zon op mijn gezicht terwijl ik aandachtig luister naar de geluiden om mij heen. De piepende zijwieltjes van een passerende kinderfiets, vrolijke kinderstemmetjes aan de rand van de vijver, luid kwakende eenden bedelend om een stukje brood, het tikken van een wandelstok.

‘Goedemorgen,’ klinkt een vriendelijke vrouwenstem.

Rosies staart tikt ritmisch tegen mijn been. Meneer Stroopwafel zegt niets. Ik draai mijn hoofd in de richting van de stem: ‘Goedemorgen mevrouw.’

‘Vindt u het goed als ik naast u kom zitten?’

‘Natuurlijk,’ antwoord ik.

‘Ik houd zo van de herfst, al die prachtige kleuren.’ Ze installeert zich naast mij op het bankje. ‘O’, zegt ze dan geschrokken en ze raakt even mijn arm aan. “Neemt u mij niet kwalijk.’

‘Dat geeft niet, mijn zonnebril heeft u vast op het verkeerde been gezet.’

‘Inderdaad, maar ik had het kunnen zien aan uw hond, wat een lieverd, mag ik haar aanhalen?’

‘Ja hoor, dat mag.’

De vrouw begint gezellig tegen Rosie te kletsen en al snel weet ik dat zij en haar man vroeger ook een Golden Retriever hadden, Mo genaamd. Mo was geen blindengeleidehond, zoals Rosie, maar zeker net zo lief en trouw. Hij ging iedere dag met haar man mee, die marktkoopman was. Iedereen die de markt bezocht, kende Mo. Hij hoorde er gewoon bij. Inmiddels waren haar man en de hond overleden.

‘Het is vandaag tien jaar geleden dat mijn man overleed,’ zegt ze terneergeslagen.

Ik wil iets zeggen om haar te troosten.

‘Ik kom net van de begraafplaats,’ gaat ze verder. ‘Ik heb het graf schoongemaakt, het was bijna helemaal verstopt onder de herfstbladeren. Het was best een klus. Ik ben er een beetje moe van geworden, ik ben tenslotte ook de jongste niet meer.’

‘Dan is het goed dat u hier even bent gaan zitten.’

‘Wilt u misschien een verse stroopwafel met mij delen?’

Haar vraag verrast me. Ik hoor hoe ze de rits van haar tas opent en al snel worden we omringt door de herkenbare volzoete geur van koek en stroop. Ik denk aan meneer Stroopwafel en moet een lach onderdrukken.

‘Mijn man had een eigen stroopwafelkraam. Het was écht een mooie kraam, die hij zelf helemaal beschilderd had. Hij was er zo trots op. Na zijn pensioen verkocht hij de kraam met pijn in zijn hart. Daarna bezochten we iedere week samen de markt hier in het dorp, al was het alleen maar om even naar zijn kraam te kunnen kijken. We kochten natuurlijk altijd een verse stroopwafel en als het mooi weer was liepen we door naar het park. Dan gingen we samen gezellig op dit bankje zitten en deelden de stroopwafel.’

Er loopt een rilling over mijn rug.

De vrouw pakt mijn hand vast. ‘Hier, neem een stuk.’

Aarzelend neem ik de plakkerige koek van haar aan en voel dat hij nog een beetje warm is. Ik durf het bijna niet te zeggen, maar ik moet het weten. ‘Misschien wil meneer ook een stukje,’ opper ik daarom voorzichtig.

‘Wie bedoel je?’ vraagt ze smakkend, waarna ze lieve woordjes tegen Rosie kirt.

Ik verstijf. Mijn hart lijkt harder te bonzen dan normaal. Rosie legt haar kop geruststellend op mijn schoot. Ik zeg niets meer en neem een hapje.

 

 

© S. v. Deudekom